Reset 21. Es

Ik heb geen oog dichtgedaan. Het besef dat ik hier zit opgesloten, er elk moment iemand mijn kamer in kan komen om me plat te spuiten, is zo beangstigend dat ik geen minuut langer wil blijven. ‘Je moet hier weg.’ De woorden van Rachel galmen door mijn hoofd als een langspeelplaat die met de naald in een groef is blijven hangen. Met mijn hand op de deurklink gluur ik door de kier de lege gang in. Met mijn goede voet duw ik de deur wijd open; die slaat met een harde bonk tegen de muur. Mijn hart stuitert. Verkrampt houd ik mijn adem in. Elk moment verwacht ik dat iemand komt kijken wat die klap was. Razendsnel rol ik mezelf de gang in, en neem de eerste gang rechts. Een penetrante geur van ontsmettingsmiddelen dringt mijn neus binnen. Halverwege de gang staat een grote plantenbak met een enorme ficus. Ik parkeer mijn rolstoel ernaast. De grote bladeren zorgen voor een soort camouflage. Ik blaas mijn ingehouden adem uit, om mijn hartslag te kalmeren. Hoe kom ik in hemelsnaam ongezien het pand uit?

Uit de richting van de gang waar mijn kamer ligt, komt een metalig gerammel. Het geluid komt dichterbij en angstvallig duik ik in elkaar.
Opeens hoor ik een muziekje. Dan een stem. ‘Ja?’ Het is de stem van een man. ‘Nee, nog één te gaan,’ zegt de man. Het gerammel klinkt weer, en vanuit mijn positie zie ik een stellage op wieltjes, vol met grote blauwe zakken. Dan zie ik de man. Hij draagt een blauwe overall, en heeft net zo’n ding aan zijn oor als Rachel heeft. Deze is zwart.
‘Ik vertrek nu, dan ben ik er over een uur,’ zegt de man tegen de telefoon. Razendsnel maak ik een afweging. Als die man met het rek nu vertrekt, dan is dit mijn kans.
Ik rol mezelf achter de ficus vandaan, en rij richting de man, die mij ziet aankomen. Vriendelijk knik ik hem toe, en als hij met het rek doorloopt, blijf ik naast hem rollen. Verbaasd kijkt hij op me neer.
‘Ik kwam even iets langs brengen bij mijn oma,’ zeg ik zo nonchalant mogelijk.
‘Dat is aardig. Het is wel vroeg voor bezoek,’ zegt de man, en lacht vriendelijk.
‘Ach, het is een kleine moeite. Ik moet toch vroeg op school zijn,’ antwoord ik. Het gezicht van de man verstrakt; hij schudt zijn hoofd.

Zwijgzaam rollen we samen verder tot aan de lift. We passen net aan samen in de kleine cabine. Op de begane grond houd ik hem met moeite bij. Aan het eind van de lange gang stopt hij voor de schuifdeuren naar de receptie. Hij houdt een kaart voor een ijzeren kastje, en de deuren schuiven open. De receptie ligt links. Er zit niemand achter de balie. Toch blijf ik angstvallig parallel aan de rechterkant van de kar. Met moeite rol ik over de grove mat die in de hal ligt; mijn armen trillen van inspanning. De man houdt weer de kaart voor een kastje, en de deuren naar buiten zwaaien open. Dan sta ik buiten. De man duwt zijn kar met een enorm kabaal rechtdoor, richting parkeerplaats. Hij negeert mij volledig, en ik draai zo vlug mogelijk mijn rolstoel rechtsaf een smal paadje in, met aan beide zijden struiken; uit het zicht van de receptie. Het is me gelukt!

Ik snuif de frisse buitenlucht op. Na al die tijd bedompte lucht te hebben ingeademd is de geur van nat gras met een vleug bloemengeur en kruidige struiken heerlijk. Ik snap mijn moeder nu. Die loopt vaak de tuin in en verzucht dan dramatisch, ‘Oh, wat heerlijk die geuren in de tuin.’
‘Oké Peet, wat nu?’ zeg ik hardop. Een telefooncel zoeken, en iemand bellen, maar ik heb geen geld. En wie moet ik bellen? Brigit nog een keer, of anders Matthijs? Mijn ouders bellen heeft geen zin. Raar dat hun nummer is veranderd. Geld kan ik misschien wel aan iemand vragen…

Ik rol mezelf het laantje door dat parallel loopt aan het gebouw waar ik net uit ontsnapt ben. Het laantje leidt naar een park, waar het geasfalteerde pad een stuk makkelijker rolt. Toch ben ik na vijf minuten buiten adem. Mijn armen tintelen, en mijn vingers doen zeer van de verkrampte grip waarmee ik de wielen laat draaien. Als ik even op adem kom, dringt de waanzin van mijn situatie weer door. Ik kan wel janken, maar ik houd de tranen tegen. Daar heeft niemand iets aan. Mijn hoofd rust op mijn borstkas, alsof het te zwaar is om te dragen. Als ik weer opkijk en verder wil rollen staat er een beer van een vent voor mijn rolstoel. Ik kijk naar hem op en hij zegt: ‘Jij bent toch Peter van Zanten?’
Ik knik sprakeloos. Wie is die vent en hoe weet hij mijn naam?
‘Ene Brigit de Koning heeft mij opdracht gegeven jou te helpen,’ zegt de gespierde man. De huid van zijn gezicht is chocoladebruin, hij draagt een trui met een grote capuchon, die hij ver over zijn voorhoofd heeft getrokken.
‘Kom, we gaan ergens koffiedrinken. Daar ben je vast wel aan toe,’ zegt de man, en grijpt naar de handvatten van mijn rolstoel.

Geef een reactie