Het is onmiskenbaar de geur van verse koffie die mij op een ochtend uit de chemische bijna-coma haalt waarmee ik een stormachtige haat-liefdeverhouding heb. Een mok koffie op mijn nachtkastje? Koortsachtig denk ik na. Ik ben toch alleen gaan slapen? Ik besluit dat het niet uitmaakt. Wat telt, is dat ik zin heb in koffie.

De liggende positie waarin ik verkeer is bij uitstek ongeschikt om een vloeistof tot me te nemen, dus worstel ik enige tijd met kussens en ander textiel. Het valt niet mee, omdat er iemand op mijn dekbed lijkt te zitten. Als ik me licht geïrriteerd opricht, ervaar ik aan den lijve wat het inhoudt wanneer een mens een hartverzakking denkt te hebben.

‘Jij bent toch dood?’ breng ik uit als mijn hart weer een beetje normaal op gang is gekomen. ‘Klopt,’ zegt mijn moeder, ‘maar nu even niet.’ Ze pakt de mok van het nachtkastje en reikt me de koffie aan. Zelf grabbelt ze een ouderwets pakje Belinda tevoorschijn en wil een sigaret opsteken. Hoewel ik in haar geval geen morele bezwaren meer kan hebben, verbied ik het haar. ‘Liever niet in mijn huis,’ zeg ik.

Nadat ik haar heb verzekerd dat ik voortaan vanwege de toevoegende waarde ook haar afgestreken lepeltje Buisman bij de filterkoffie zal gooien, zeg ik dat ze grijs is geworden. ‘Coronakapsel,’ zegt ze. Verbaasd kijk ik haar aan. ‘In het dodenrijk zijn we solidair met de anderhalve-meter-samenleving waar de levenden mee te maken hebben,’ legt ze uit. ‘Maar over twee weken wordt het geverfd. Ben zo blij dat het weer mag!’

De stemming slaat een beetje om als ik het niet kan nalaten te vragen waarom ze niet voor mijn zus en mij is opgekomen op bepaalde momenten. ‘Was je zo bang voor hem?’ vraag ik. Het snijdt me door mijn ziel haar dicht te zien slaan zoals ik dat van haar ken. Het besef dat zij zelf zo beperkt in de mogelijkheden zat, opent mijn hart en daarmee de weg naar vergeving.

‘Weet je dat hij zwaar getroffen is door de coronacrisis?’ Verrast kijkt ze me aan. ‘Echt heel erg,’ zeg ik. Mijn moeder probeert zo onopvallend mogelijk te branden van nieuwsgierigheid. ‘Hij is veroordeeld tot zo veel mogelijk thuisblijven in een klein huis met een vriendin die hem niet meer gunt dan een plank voor zijn onderbroeken.’ Mijn moeder barst uit in de aanstekelijke lach die ik al zo lang niet meer gehoord heb.

We rapen onszelf bij elkaar. Ik drink nog een mok koffie en sta haar één Belinda toe in mijn huis. ‘Mag ik niet met jou mee, straks, als je weer teruggaat?’ vraag ik. ‘Ik ben ziek. Van binnen. Er steekt bij tijd en wijle een orkaan op die me omver blaast. Ik ben de zich herhalende herstelwerkzaamheden soms een beetje zat.’

Ik sla mijn ogen open en ben me bewust van de typische roes van een chemische bijna-coma. Ik kom een beetje omhoog en kijk, maar er zit niemand op mijn bed. Met ijdele hoop werp ik een blik op mijn nachtkastje: niets. Ik sta op en slenter naar de keuken. Eerst maar eens koffiezetten.

Categorieën: Overig

4 reacties

Nummer 22 · 13 mei 2020 op 07:46

Mooi geschreven. Kwam mijn moeder maar bij mij al was het een paar minuten. Mijn moeder rookte 92 jaar niet!, maar dat terzijde.

    Marieke · 15 mei 2020 op 14:38

    Dat had mijn moeder wellicht beter ook niet kunnen doen. Het zou heel goed mogelijk kunnen zijn, dat ze dan nu bij leven en welzijn nog steeds afgestreken lepeltjes Buisman bij de filterkoffie had staan gooien.

van Gellekom · 13 mei 2020 op 12:25

Prachtig geschreven

Geef een reactie