We moesten met de hond naar de veearts. De pilletjes en de wasbeurten met een uiterst toxische shampoo hadden niet gewerkt. Wij met drie man dan maar op pad. Ik bleef met pa achter op een pleintje en ma ging in de wachtkamer zitten. Dit omdat de hond het vermogen had om ons schele hoofdpijn te bezorgen als we hem durven meenemen in de wachtzaal. Dat beest moet toch ook ademen, hoe slaagt ze er in om niet aflatend te blaffen. Er is vast een techniek voor die honden kennen maar hun getergde baasjes niet. Er kwam op het plein een dikke Afrikaanse aan hollen, ze had duidelijk de gordijnen gebruikt voor er een provisoire jurk uit te vervaardigen. Filien, onze Tibetaanse Terriër, was daar niet van gediend en zette het op een blaffen. Ik stak van frustratie nog een sigaret op, mijn derde al sinds ik op dat goddeloze plein stond te wachten. Dan kwam er een oude Ierse Setter achter haar al even bejaarde bazinnetje geploeterd. Uiteindelijk schreeuwde ma als een marktkramer aan het groenten kraam naar ons dat er nog één voor ons binnen was. Nuttige info was dat niet. De hond trok driftig aan de leiband en was door het dolle heen ma terug te zien. Ik kreeg ongeveer een zenuwaanval. Mensen stonden ons allemaal aan te gapen.

‘Dat moet jou hond maar zijn.’

‘Die heeft geen opvoeding gehad.’

Flarden die ik opving. Toen ik er tegen mijn pa iets van zei antwoordde die dat het mijn ziekte was en dat hij niets had gehoord. Dat geloof ik, hij had proppen in zijn oren, dat heeft hij constant en hij had nog geen zin om naar de dokter te gaan en die te laten uitspuiten. Dan verscheen ma weer, op ons een impact makend alsof ze de Maagd Maria was.

‘Kom, haast u, het is aan ons,’ brulde ze.

De mensen in een straal van één kilometer hadden dat wellicht ook gehoord. We hingen de consultatieruimte binnen. De vrouwelijke dierenarts wachtte ons op.

‘Ah, mijn zoeteke, is het voor u?’ zei ze tegen Filien. Die keek haar argwanend aan. Je vergeet immers nooit de persoon die je oren bruut kuist als je een oorontsteking hebt.

‘Verschrikkelijk,’ zei ze ‘dat beestje ziet af. Waarom kwamen jullie er niet vroeger mee?’

Pa moest zich inhouden, ma ook; ik was opgefokt genoeg, de emmer liep over.

‘We komen hier al vier jaar met dezelfde klachten, u deed het af als artrose door haar gewicht.’

‘We zullen bloed trekken,’ zei de boze vrouw nadat ze even op haar plaats was gezet.

De hond maakte worstelbewegingen op de tafel. We kregen haar uiteindelijk in bedwang, maar wel omdat pa en ik niet de eerste de besten waren en we konden ze zelfs dan nog amper de baas.

Ze gaf de hond nog een aantal injecties. Daarna schreef ze een waslijst  van pillen voor, een klein pilletje dat we in vier moesten breken. De twaalf werken van Hercules waren er klein bier tegen. En als klap op de vuurpijl mochten we haar zelf ook nog een injectie geven.

‘Waar?’ vroeg pa.

‘Onder de vacht,’ zei de veearts alsof het niets was.

Terug buiten ging pa achter zijn hernieuwd rijbewijs en ma en ik naar huis. Ik weet niet wie er het meest zin had om thuis te zijn, de hond of ik.

Aan onze marcheerlust zal het zeker niet gelegen geweest zijn.

En nu heeft Filien al enkele dagen geen jeuk meer. Ik heb mijn angst om buiten te komen de baas geweest en pa had gezegd dat er een meisje naar me had gelachen toen ik met de hond aan het wandelen was.

Ik had ze niet eens opgemerkt.

Categorieën: Algemeen

3 reacties

Esther Suzanna · 28 maart 2017 op 18:37

Wat en heerlijk hondenverhaal. Ik zat op het puntje van eh … de bank. 🙂

Vandaag kwam ik een Zwarte Tibetaanse Terriër tegen. Ze had een roze strik, om het haar uit de ogen te houden.
Ze vond de mijne ook leuk. Niet mijn strik, maar mijn hond(je)

Je in de wereld wagen, is niet altijd makkelijk. Soms valt het mee, soms tegen. 🙂

Mien · 28 maart 2017 op 20:50

De volgende keer zou ik toch maar naar de dierenarts gaan. Gespecialiseerd in kleinere dieren. 😉

NicoleS · 28 maart 2017 op 21:26

Haha leek de kat van mijn buuv wel. Ik kon een tetanus prik halen na het optillen van die kat. Mooi geschreven weer.

Geef een antwoord