Tussen de bedrijven door besloot ik om even rust te nemen en de auto aan de kant te zetten. Achter de dijk waren parkeerplaatsen ingericht. Dat kwam goed uit. Ik was de enige. Geen vogelaar of andersoortige met verrekijker gewapende horizonspeurder te bekennen. Alleen was ook wel even prettig. Ik parkeerde, sloot met een routinematige handbeweging (bleep) mijn auto en ging op weg naar de te beklimmen dijk. Zesenveertig treden waren het. Voor een fitte vijftiger een eenvoudige klus. Eenmaal boven sloot ik mijn ogen en draaide ik mijn hoofd in de wind. Met de suggestie van gezondheid ademde ik diep in en blies ik vervolgens, mijn ogen openend, weer uit. Zon, zee, blauwe lucht, witte, grijze en bijna zwarte wolken zag ik. Het kon alle kanten op.
Ik kon links of rechts. Links ging ik. Relatief onnozele zaken als werk hielden mij bezig. Daarom was ik hier. Uitwaaien heet het, een beproefde methode. Geschrokken van de zuurstof en de wind leken de gedachten die mij belastten hun samenhang al snel kwijt. Stukjes van vragen als waarom zij doen zoals ze doen en waarom ik dan vervolgens weer doe zoals ik doe herkende ik nog wel maar ze opereerden op de achtergrond. In toenemende mate onverstaanbaar smeekten ze om aandacht. Ze legden het af. Ook mijn ferme stappen over de dijk hadden langzaamaan plaats gemaakt voor een meer relaxte tred. De kaken ontspanden en de hangende mondhoeken zochten hun weg naar boven. Een heilzame actie dacht ik. Iets van tevredenheid ontwikkelde zich. Het gaf ruimte voor zaken buiten mij. Meer en meer omgeving drong er door. Opvallend veel schapenkeutels en meerkleurig plastic. In de verte rommelde het. Boven zee ontwaarde ik een bliksemschicht. Ik bleef even staan. Onweer.
Het onweer bracht me thuis. De elektrische apparaten stonden, voor zover aanwezig, uit. Het was donker in huis. Vader schuilde ergens onder aan de trap, in bed wellicht. Onder de dekens met de handen op de oren of gevouwen tot een gebed. Angstreductieweesgegroetjes. Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met U. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is Jezus de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood, Amen. En nog een keer en nog een keer. Wees gegroet Maria. Hij was bang. Het onvoorspelbare verbond van water en vuur. Iets met oorlog was het dachten wij. Maar oorlog was geen thema. Zijn oorlog niet. Hij sprak er niet over. Wij spraken er niet meer over. Ik weet niet beter. Met onweer was het donker. Met onweer was hij simpelweg afwezig. Dat was nu eenmaal zo. Soms dreef het over. Dan hernam het gewone leven zich net zo onverwachts als dat het even daarvoor onderbroken leek te worden.
Het waren koude dikke druppels op mijn voorhoofd. Hier waait de wind vooral en gaat de dijk over in duin. De keien gaan over in zand. Ik ga voorlopig in nieuwe gedachten voort.

6 reacties
Mien · 9 april 2013 op 13:35
Mooie titel, mooie column. :yes:
Blanchefort · 9 april 2013 op 14:57
Goed verhaal.
Harrie · 10 april 2013 op 07:55
Er hangt duidelijk poëzie in de lucht … Meer aub. :yes: Groetjes, Harrie
KingArthur · 10 april 2013 op 11:14
Mooie overpeinzing. RK opgevoed kon ik de tekst van het ‘Wees gegroet’ niet meer reciteren en nu ik het lees lijkt het alsof ik het nooit vergeten ben. Gek.
Ma3anne · 10 april 2013 op 14:39
Een verhaal, waar ik in mee werd gezogen. Goed geschreven. :yes:
pally · 11 april 2013 op 15:21
Erg mooi geschreven column, veel suggereren en niet voluit noemen.
groet van pally