[i]“Twijfelaars zoeken bewijs; zij, die weten, kunnen vertrouwen.”

Chris den Daas 2012[/i]

De westerse mens heeft diverse merkwaardige fetisjen. Een ervan is de dwangneurose tot “bewijzen”. Als je iets niet keihard kunt “bewijzen” dan bestaat het niet. Klaar. Punt uit. Het is het dogma van de wetenschap. Maar wat houdt bewijzen nu werkelijk in? Er is een aantal manieren om tot bewijzen te komen. Een ervan is “bewijzen door deductie”, zeg maar door te redeneren. Het een manier van bewijzen zoals je dikwijls in de wiskunde tegenkomt: Als A=B en B=C, dan geldt, door deductie: A=C). Een goed voorbeeld hiervan vind je terug in het volgende onschuldige Belgenmopje, dat ik zo’n 30 jaar geleden voor het eerst hoorde:

Een Belg en en Nederlander komen elkaar tegen.
Zegt de Belg:”Hoe gaat het ermee en wat doet gij tegenwoordig.”
De Nederlander:”Ja, het gaat goed. Ik studeer tegenwoordig Logica.”
Belg:”Logica, maar dat kennen wij hier helemaal niet. Wat is dat?”
Nederlander:”Tja, da’s aan jou een beetje moeilijk uit te leggen, maar ik zal een voorbeeld geven. Heb jij een aquarium?”
“Ja, zeker heb ik een aquarium.”
“Dan houd je zeker van visjes.”
“Ja, zeker en vast, ik ben dol op vissen.”
“Dan houd je waarschijnlijk ook van de zee.”
“Ja, ik ben dol op de zee.”
“En waarschijnlijk ben je ook graag op het strand.”
“Ja, ik hou van een heerlijk dagje op het strand in Oostende.”
“En dan vind je het ook leuk om naar de mooie vrouwtjes te kijken als ze in hun bikini op het strand liggen te bruinen.”
“Natuurlijk, dat vind ik prachtig.”
“Dan ben je dus geen homofiel.”
“Nee, natuurlijk niet. Hoe wist u dat?”
“Kijk zo werkt logica, begrijp je?”
Niet veel later loopt de Belg, die ik even voor het gemak Belg 1 noem, zijn vriend – Belg 2 – tegen het lijf.
Belg 2:”Da’s een tijdje geleden, wat doet gij tegenwoordig?”
Belg 1 wil zich graag een beetje beter voordoen dan hij is – overigens is dit waarschijnlijk een typisch Nederland trekje – en zegt:”Ik studeer Logica.”
“Logica? Maar dat kennen wij toch helemaal niet, wat is dat precies?”
“Ik zal het voor u uitleggen. Hebt gij een aquarium?”
“Neen.”
“Dan bent u een homofiel!”

Een spijkerhard, wiskundig onderbouwd bewijs!

Een andere vorm van bewijzen is het vaststellen van statistisch significante correlaties. Je komt deze bewijsvorm vooral tegen in de zogenaamde “zachte” wetenschappen zoals sociologie, of psychologie, maar ook in situaties waarin bijvoorbeeld de werking van nieuwe geneesmiddelen wordt getest.

Een goed voorbeeld van zo’n bewijs, is de correlatie die ooit is onderkend tussen de ooievaarspopulatie in ons land en het geboortecijfer. Sinds de zestiger jaren is het aantal ooievaars in ons land drastisch verminderd en het aantal geboortes is navenant gedaald. En de afgelopen tien jaren bezoeken weer meer ooievaars ons land en is ook het geboortecijfer weer iets gegroeid. Een sluitend bewijs van de invloed van ooievaars op het aantal geboortes in ons land derhalve.

Nu is dit “bewijs” voor u en mij natuurlijk mosterd na de maaltijd. Wij weten immers al sinds mensenheugenis dat ieder kindje door de ooievaar hoogstpersoonlijk in een roze-wit- of lichtblauw-wit geblokt doekje aan de snavel wordt afgeleverd bij zijn ouders. En de intrede van anticonceptiemiddelen zo’n 50 jaar geleden en het godsvruchtige voortplantingsgedrag van onze nieuwe medelanders de afgelopen jaren, hebben met deze schommeling in geboortecijfers natuurlijk niets van doen.

De meest overtuigende vorm van bewijzen is het empirisch bewijs. Als de (westerse) mens, eventueel met behulp van – steeds geavanceerdere – hulpmiddelen een fenomeen kan waarnemen, dan wordt dit “bewezen” geacht, en zo niet, dan wordt dit als een dwaling afgedaan. Op deze wijze is bijvoorbeeld bewezen dat de aarde plat is. Of rond. Of dat het kleinste elementaire – ondeelbare – deeltje een molecuul is. Of een atoom. Of een electron. Of een quark, zonder massa overigens omdat het “deeltje” wellicht uit enkel energie zou bestaan. Voortschrijdende inzichten nopen tot bijstelling van door eerder geleverd bewijs vastgestelde wetenschappelijke “feiten”. Het simpele feit dat alle “bewezen feiten”, ooit zijn achterhaald toont de vluchtigheid, of, ik zou zelfs willen zeggen, irrelevantie, van bewijzen.

De op deze empirische wijze aangetoonde “waarheden” vormen de basis voor de fysica, de zogenaamde natuurwetten waar alle fenomenen aan zouden gehoorzamen. Onbewijsbare fenomenen worden verbannen naar het domein van de metafysica. En binnen de doctrine van de natuurwetenschappen hebben deze fenomenen geen bestaansrecht.

De hang naar “empirisch verkregen bewijs” is illustratief voor ’s mens’ angst voor het onbekende. Alles moet “verklaarbaar” zijn en daarmee zoveel mogelijk controleerbaar. Dit verklaart (!) de toevlucht naar de nieuwste religie: de wetenschap. Maar hiermee gaat men volledig voorbij aan het feit dat het spectrum waarbinnen de mens in staat is om waar te nemen, zelfs met behulp van alle geavanceerde microscopen, telescopen, supercomputers, etc., slechts een zeer klein gedeelte van de totale realiteit omvat. We zitten nog steeds in Plato’s bedompte grot, Hegels tot de verbeelding sprekende verhandelingen op het gebied van de fenomenologie ten spijt. De mensheid heeft – vanuit angst gedreven – de arrogantie om wat men binnen deze zeer beperkte werkelijkheid kan meten, als waarheid aan te nemen en alles wat daarbuiten valt, niet.

De mens neemt waar met zijn zintuigen: zicht, gehoor, reuk, smaak en tast, en het hierboven besproken beperkte spectrum omvat derhalve waarnemingen gedaan met een of meerdere van deze vijf zintuigen. Er wordt wel eens gesproken van een 6e zintuig. Dit zou dan (voor-) gevoel of zoiets moeten zijn. Waarnemingen die met dit zintuig worden gedaan worden door de Wetenschap niet erkend. Merkwaardig is dat dit zogenaamde 6e zintuig zonder uitzondering door alle (niet-rationeel denkende) oude volkeren als eerste en belangrijkste zintuig werd beschouwd en nog steeds wordt beschouwd. Ook een groeiend aantal “moderne” mensen raakt hiervan overtuigd. Deze mensen leven niet vanuit het hoofd, maar vanuit het hart en hebben een diep respect voor het metafysische, het spirituele. In plaats van zich te limiteren tot het beperkte spectrum dat de mens in staat is waar te nemen, stellen zij zich open voor een realiteit die zich ver daarbuiten uitstrekt. Sceptici zeggen dat deze mensen “geloven”. Maar ik denk dat het eerder zo is dat deze mensen “weten”. En iets dat je al weet hoef je toch ook niet nog eens een keer – met alle beperkte hulpmiddelen die je daarvoor ten dienste staan – te gaan bewijzen?

Categorieën: Algemeen

Chris

Chris den Daas

7 reacties

Boukje · 23 februari 2012 op 17:29

Leuke mop :hammer:

Prlwytskovsky · 23 februari 2012 op 17:57

Eerste zin: hoevel komma’s ‘kunnen’ er na een (;)punt-komma? Volgens mij niet eentje?

Libelle · 24 februari 2012 op 05:43

Na het mopje ben ik de collegezaal uitgegaan.

Boukje · 24 februari 2012 op 09:24

Ik ook.

BKVDM · 24 februari 2012 op 12:30

Ik heb vissen in een vijver. Telt dat ook?

Ferrara · 24 februari 2012 op 20:09

knippen en plakken.

FGHongarije · 28 februari 2012 op 12:31

Hetgeen in de hele tekst gehanteerd wordt, wordt niet doorgezet in de laatste alinea. Hoe kunnen zij die weten, weten? In deze zou de vraag die Kant aan de orde stelde, namelijk ‘wat kan ik weten’, toepasselijk zijn geweest. In deze laatste alinea wordt namelijk het ‘weten’ gebruikt als iets dat uit niets anders is af te leiden of door iets anders te verklaren is. Hoe zou de bewering van ‘het weten’ verklaard worden als de eerder in het artikel aangehaalde allegorie van de grot op dit stukje tekst zou worden toegepast? Overigens graag gelezen.

Geef een antwoord