Een doffe dreun. De stalen deur van de gesloten afdeling valt achter mij in het slot. Bezoekuur. Mijn vriend is gek. Knettergek. Gisteren depressief als een comapatiënt in opperste rust. Vandaag manisch als een draaideur in volle galop. Met psychotische slippertjes. Een knipperend licht. Dan aan, dan uit! Geen touw aan vast te knopen. Familie en vriendenkring worden er stapelmesjogge van. Schuldsanering door een ongebreideld uitgavenpatroon afgewisseld met het beklauteren van de Martinitoren. Emigreren naar Australië afgewisseld met een week doorlopend bedgebruik. Omstanders slikken rustgevende druppeltjes om de slaap te kunnen vatten. Geperst uit bloesems, geplukt door kruidenvrouwtjes. De voetjes gestoken in roze klompjes. Krankzinnig. Ik vind mijn vriend eigenlijk altijd alleen maar te gek. Dát beeld is tamelijk consistent. Nu moet mijn makker in rustiger vaarwater. Een psychiatersnotneus (25) in opleiding stelde klip en klaar de diagnose. Weet zo’n kind veel. Mijn vriend vaart blind op zijn eigen waarneming. Waarna het kind in de vakliteratuur duikt om de visie van mijn maatje te onderbouwen. Veel gekker kan het niet worden. “Die hulpverleners zijn allemaal hartstikke gek!” Mijn dierbare druktemaker verkeert dus in goed gezelschap. Persoonlijkheidsstoornissen alom.

Zo’n instelling is een wereld op zich die in alles gelijk is aan de normale (…) maatschappij. Buiten de poort een frank en vrij gemeenschap waarin de vraagt zich opdringt: “Waarom loopt dat allemaal los rond?” Niemand weet het. Absurd! Mijn ontremde kameraad praat in de hoogste versnelling. Gelijk beeldend proza. “Het is bij het krieken van de dag. Het moment waarop mijn kamergenoot in een troosteloze, pijnlijke tredmolen stapt. Zelf geschapen, blijkbaar onontkoombaar, onheilspellend in stand gehouden. Hij is erbij, kijkt er naar en kan niet(s) anders. Regie over handelen én bestaan lijkt hem te zijn ontnomen. Door wie? God mag het weten. Hij lijkt me niet echt lekker!” Verder gaat mijn gesprekspartner in de turbostand. “Vanuit zijn bed met relatieve rust, slaapt hij trouwens ooit, komt hij volop in beweging. Er is geen houden aan. Fris gewassen, netjes gekleed en geslipperd. Kortom; ’t lijkt zo gek nog niet! Tegen deze idioterie is echter niets bestand. Zijn cadans continue komt bij het gloren van het etmaal dag razend op gang. De route is telkens dezelfde. Startend bij het raam dat uitzicht biedt op rustgevend groen. De kamer doorkruisend en verlatend. Een paar meter de gang op. Een wending voert hem terug zijn vertrek in. Tot aan de spiegelende ruit. Opnieuw de repeterende tred! Uur na uur, dag na dag. Week in, week uit. Bewegingsonrust in optima forma. Dwang zonder begin, zonder eind. Niemand kan hem een halt toeroepen in zijn repeterend isolement. Wat beweegt hem, wie stuurt hem aan? Wat doet de machinerie haperen? Waarom is hij zo (geworden)? Zeg, kerel, wat denk jij?”

Mijn blik drukt bewondering uit. Gepaste stilte bij creatief taalgebruik. Zonder op een reactie te wachten ratelt hij vervolgens door. Spraakwaterval. “Eenmaal ontvalt hem dat hij zich zo radeloos voelt. Maar rust roest. Toch?” Het antwoord blijf ik schuldig. “De behandelaar staat er bij, neemt waar en wast zijn handen in onschuld. Hier helpt geen enkele therapie, geen enkel medicijn. Onuitroeibaar stereotype gedrag”, doceert mijn vriend in de vijfde versnelling. Ontremd, ontregeld. Wanneer mijn gabber op losgeslagen snelheid oreert, is tegenspraak funest. Hij is tenslotte ervaringsdeskundige. Een posttraumatische stressstoornis is wel het geringste risico wanneer je hem van zijn spreekgestoelte verwijdert. Ik informeer naar de kwaliteit van logies, ontbijt en diner. “Ons verwarmd voer wordt per vrachtauto uit de gaarkeuken aangeleverd. Je bed mag je zo vaak verschonen als je wilt en na een voedzaam ontbijt kun je direct door naar de creatieve therapie”. De maag- en dagvulling in kort bestek. Lekker. “Ik ga je verlaten, kerel”. Mijn kameraads gezicht toont opperste verbazing. Zijn beleving zegt hem dat ik net aangeschoven ben. “Tot gauw”. De stalen deur valt dreunend in het slot.

Categorieën: Diversen

5 reacties

Prlwytskovsky · 6 september 2011 op 09:51

[quote]De stalen deur van de gesloten afdeling valt achter mij in het slot[/quote]

Dus de afdeling was niet gesloten want de deur stond open. Toch? 😉

Harrie · 6 september 2011 op 14:55

Dat is flauw Prlwytskovsky. Als je door een deur gaat zul je hem toch eerst open moeten maken. Of heb jij misschien bijzondere gaven?

Het is wel een heftige column. De laatste zin is dan ook betekenisvol.

Ferrara · 6 september 2011 op 23:15

Ik was ooit zo’n “knettergekke” hulpverlener op een gesloten afdeling. Ik vind de situatie rond de vriend scherp in beeld gebracht.
Heb wat moeite met de term snotneuspsychiater hij zal toch ergens zijn vak moet leren.

En bouwjaar 54 heeft vast eerst moeten bellen voor de deur ontsloten werd.

lisa-marie · 7 september 2011 op 08:13

Zowel het manische als depressieve goed weergegeven.

dokterblues · 7 september 2011 op 16:56

Geschreven uit de optiek van de bezoeker, prima.

Je vriend heeft nog een lange weg te gaan, hij zou een andere, oudere hulpverlener kunnen vragen. Die hebben meer ervaring en inlevingsvermogen.

Natuurlijk moet iedereen het vak leren, maar een 25 jarige moet zich ook niet met mij bemoeien.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder