Vorige week heb ik een reisje gemaakt naar een land.
Het was een land waar ze water in wijn veranderen.
Ze noemen het daar het bloed van de duivel in het beloofde land.

Degene die het water veranderde in wijn werd daar een verlosser genoemd.
Een redder, in deze moeilijke en wanhopige tijd.
Hij zorgt ervoor dat mensen niet vergeten dat ze geboren zijn om ook weer te sterven.

En ik was daar dus, zoals zovelen mij voor zijn gegaan om een beter leven te kunnen vinden.
Ik ben er geweest om weer op de goede weg te komen, op het juiste pad.
Om eindelijk weer mijn leven te kunnen leven zoals ik dat voor ogen heb.

Ik heb er geleerd dat goede dingen niet gemakkelijk zijn en zeker niet vanzelf komen.
Alle goede dingen moet je tijd in steken, kostbare tijd.
Ik heb er mijn bed verschoond en netjes opgemaakt, voor de dag dat ik mijn dierbaren zal ontvallen, maar wanneer dat zal zijn weet niemand.
Ik heb er echt veel tijd in gestoken om het zo mooi mogelijk op te maken.

De mensen in het beloofde land waren trots op de welvaart van hun land.
De straten waren geplaveid met goud.
Ze zeggen dat er heel veel diepe oliebronnen liggen.
Dieper dan waar ook in de wereld.
Het draait er voornamelijk om geld.

Maar door hebzucht is de olie weg en daarmee ook al het geld.
De werkloosheid is gestegen, alle banen zijn verdwenen.
Maar niemand vlucht uit het land voor een betere toekomst.
Want ze geloven allemaal nog steeds in die ene redder, die verlosser in moeilijke tijden.

Ze zwemmen niet meer in het geld en in weelde, maar in het droge zand.
Ze bidden om wat water zodat ze hun handen kunnen wassen en zich van hun zonden kunnen ontdoen.
Het is een droog, arm land geworden.
Het is niet meer het beloofde land.
Niemand kan er nog huilen en niemand komt er nog levend vandaan.

Deze keer niet.

‘In de naam van Jezus’ hoorde ik een priester roepen op het uitgestorven immens grote plein.
‘We zijn allemaal kinderen van God en ooit zal hij terugkeren’, roept hij.
Ik hoop voor dat hij gelijk heeft, maar ik geloof er niet in.
Hij nam een slok van zijn wijn. Ik zie het niet meer goed komen.

En het was er zo warm en zo droog dat ik ‘s-avonds smeekte om een beetje regen.
Ik hoopte dat de lucht open zou gaan en het met bakken uit de hemel zou vallen.
Ik heb gebeden om water, de gehele nacht, want mijn bloed kookte.
Zo warm en droog was het er.

Het was alsof mijn ziel in brand stond en ik alleen maar naar de vlammen kon kijken die om mij heen zich verspreidde.
Ik zag mijn leven aan mij voorbij flitsen, ik hoorde mijn kinderen mij roepen in de verte en al mijn dromen zag ik vervagen.
Kom ik hier nog levend vandaan?

De mensen die hier wonen zijn loyaal.
Ze bidden voor een grote beloning, ze bidden voor welvaart.
Maar de uitbetaling voor hun loyaliteit lijkt ver te zoeken.
Het volk wordt behandeld als een slaaf.

En als ik zelf de manier en het moment kon kiezen waarop ik zou sterven, zou ik dat zeker niet willen in dit land van droogte, honger en verderf.
Dan zou ik liever kiezen voor een kogel of een mes, omdat het minder pijnlijk is, dan de pijn die de mensen hier dag in, dag uit opnieuw moeten verdragen.

Niemand komt hier nog levend weg.

PIEP, PIEP, PIEP… De wekker gaat, ik schrik op.
Mijn mond is droog en ik ga op zoek naar water.
Ik blijf nog even beduusd staan in de badkamer, terwijl ik de kraan opendraai en ik zie het water uit de kraan stromen.

Het was maar een droom.

Categorieën: Actualiteiten

2 reacties

Nummer 22 · 23 mei 2021 op 11:15

mooi geschreven !!

Geef een antwoord