Vroeger keken we als kinderen uit naar het moment dat de kerstbomen in huizen weer werden afgetuigd. Dat was in de eerste week van het nieuwe jaar. Het regende naalden in de woonkamers en de vrouwen des huizes haalden opgelucht adem als de spar door de openslaande deuren vanuit de huiskamer naar de tuin werd afgevoerd.Soms werden daar de takken vanaf gesneden om ‘over de bloembollen’ te leggen. Het vroor in die tijd nogal eens streng in de winters.


In de wandelgangen werd door ‘grote jongens’ bepaald op welke dag we ons zouden storten op het ‘kerstbomen jatten’. De nacht ervoor sliep je van opwinding nauwelijks.We woonden in een buurt met forse rijtjeshuizen. Daarachter lagen brandgangen om met de fiets bij de schuurtjes te komen, te vluchten in geval van brand, of te vrijen als het donker was.De tuinen waren alle aan de brandgangzijde afgeschermd met een schutting, waarop in die tijd nog geen taal stond. Een stevige deur, ‘poort’ genoemd, verschafte toegang tot de tuin.


De strijd begon. Eerst even springen of klimmen om over de schutting heen te kunnen kijken of de kerstboom al lag te wachten. Voorzichtig de schuttingpoort op een kier, kijken of het veilig was en dan bliksemsnel de tuin in om de boom pakken. Rennen voor je leven. Niet zelden werd je uitgescholden omdat de boom voor de bollen was gereserveerd.Juist die gevallen gaven ons het meeste lol.Zo werd de hele buurt afgestruind en de hoeveelheid bomen was immens.In de grensgebieden met andere buurten ontstond verbale of fysieke strijd. Daar stonden twee partijen te trekken aan één boom.


De ouders van de ‘grote jongens’ hadden gevoel voor de kinderpret en gingen akkoord met tijdelijk gebruik van de tuin voor opslag. Om vijf uur ’s middags gaf de aanvoerder het signaal van ‘lopen’. Tientallen kinderen, groot en klein, pakten meerdere bomen bij de top en sleepten deze in een bonte rennende stoet met meer dan honderd sparren naar de Hilversumse heide. Daar wachtte een zandplek, ‘het witte zand’ genoemd op de grote stapel, die binnen de kortste keren huishoog  in de fik stond. Jaar na jaar.


De grootste oogst hadden wij in 1954; drie tuinen bomvol. We stonden klaar om ‘de hei’ weer te bestormen. Een politieauto en een gemeenteoplegger reden voor. Een van de bloembollenvrienden uit de buurt had hoogverraad gepleegd. De gemeentemannen waren meer dan een uur bezig om onze bomen op te laden. De politie bleef niet wachten. De mannen vergaten één van tuinen en toen ze met de zwaar beladen auto weg reden, renden van alle kanten kinderen toe om nog een flinke portie bomen van de kar te trekken. De Gemeentemannen reden met een glimlach door.Dat jaar was voor ons het allermooist. Verboden vruchten smaken het lekkerst. En al die jaren is er niets verkeerds gebeurd. Alleen een restant met houtskool moest worden opgeruimd en dat gebeurde netjes. 


Jullie begrijpen nu wel waaraan ik moest denken bij het zien van die kathedraal van pallets op het strand van Scheveningen. Een ‘vreugdevuur’ dat heel Scheveningen opzadelde met schade. Geen lol van het stiekeme jatten van een Kerstboom, maar het krijgen en kopen van stapels pallets die er als nieuw uitzien. Is dat nu mooier dan een Kerstboomvuur?
Ik ben er nu te oud voor, maar anders zou er hier in de buurt geen Kerstboom meer veilig zijn.

Categorieën: Algemeen

Hans Schoevers

Flashbackpacker. Schrijver van columns; dikwijls met een knipoog naar vroeger. Tot december 2017 ook actief geweest als zanger/entertainer. Elts sprekt fan myn sûpen, mar nimmen fan myn toarst.

Geef een reactie