Het is een mêlee van dijken en ringvaarten. Zwartbonte koeien en schapen met blauwe billen kleuren het landschap. Fiets- en wandelroutes strijden om voorrang. Wij volgen de wind. Zij is consequent oost. Wij fietsen oost. Tegen gaan we, dan kunnen we straks met een biertje in de benen met haar mee. Op de fiets ben ik graag in de polder. De automobilisten lijken minder met de polder te hebben. Zij passeren met niet geringe snelheid. Ik ontwijk de eendenlijken en ander gevogelte dat door het autogeweld onherkenbaar tegen het asfalt is geplet. Ik ontwijk het. Erover heen rijden doe je niet. Ik niet in ieder geval. Dat is overigens niet alleen vanuit iets van ontzag voor de dood. Ik denk in ieder geval dat dat een rol speelt. Het heeft daarnaast vrees ik ook simpelweg te maken met het feit dat je banden er vies van worden. Bovendien loop je het risico weg te slippen. Dat moeten we niet hebben. Ik verwijt de automobilisten overigens niets, behalve wanneer ze rijden waar ik fiets.

Ik ben ook automobilist.
Ik heb voor zover ik weet tweemaal een dier met mijn auto om het leven gebracht. In ieder geval denk ik dat. Ik heb de waarschijnlijke lijken nooit aanschouwd. Mijn eerste doodslag vond vijftien jaar terug plaats. Tegen zevenen ’s avonds. Lichte schemer. Het was een bekende weg en ik wist hoever en hoelang. Ik zag niet, ik hoorde slechts. Het was een enorme klap aan de bovenkant van de voorruit. Ik zat achter het stuur en bukte. Zinloos natuurlijk maar de impuls wilde het zo. Ik schrok hevig, bleef op de weg en constateerde gele drab die langzaam naar beneden kwam. Ik zette de ruitenwisser aan. Weer een impuls. Ik had een vogel aangereden wist ik. Geschrokken en voor altijd wakker vervolgde ik. Dit zou mij nooit meer overkomen. Het zou mij nooit meer overkomen.

Drie jaar terug waren we op de terugweg van een ontspannende vakantie in het noorden van Spanje.
De laatste dag voerde ons met de auto door België. We konden goed doorrijden over rustige wegen. Ondanks de 140 kilometer per uur ontwaarde ik met mijn oplettende blik ver voor ons een eekhoorn die de weg overstak. Uiteraard wees ik de kinderen op mijn waarneming. Ze zijn dol op dieren. Zij zagen dat het dier overstak. Zij zagen ook dat het aan de overkant niet vond wat het zocht. Het dier stak de weg weer over maar nu in omgekeerde richting. Remmen was zinloos. Ik heb het niet overwogen. Het was snel voorbij. Doodslag was het, geen moord.

Verder is het overigens stil in de polder. Wij fietsen voort. De wind wijst de weg.


9 reacties

LouisP · 25 april 2009 op 17:39

Frank,

ik schrijf het maar gelijk op nu het kippevel er nog is.
Diep respect hoe je reageerde en hoe je dit alles hebt opgeschreven.
Een prachtige column! Vind ik.

groet,
Lo

SIMBA · 25 april 2009 op 18:28

Mooi verhaal, goeie titel!

Dees · 25 april 2009 op 21:42

in het engels hebben ze een mooi woord voor hoe jij schrijft; concise. ik ben dol op je stukjes, vrijwel altijd.

champagne · 26 april 2009 op 10:38

Wat een heerlijke schrijfstijl heb je. Ik heb met veel plezier deze column gelezen. (Zou er bijna van door de polder gaan fietsen… 😉 )

WritersBlocq · 26 april 2009 op 11:05

Lekker en goed geschreven stuk zeg!
Groetje, Pauline.

arta · 26 april 2009 op 23:44

yep, mee eens.
Een dijk van een onderwerp in een lekker poldertempo geschreven.
🙂

Anne · 27 april 2009 op 14:43

Dode dieren tot leven roepen met tekst. Mooi.

Mien · 27 april 2009 op 16:33

Mooie titel.
Knappe verbinding.
Verder eens met Dees.

Mien

KawaSutra · 28 april 2009 op 02:38

De Nederlandse poldermentaliteit. Moord wordt al snel doodslag om het even wat vriendelijker te laten klinken. En ja, het is mij ook overkomen.
Uitstekende column weer, Frank.

Geef een reactie

Avatar plaatshouder