Er zijn nu eenmaal regels in het leven. Die vervelende geboden die ons ergeren en waar tegen wij zo graag zouden rebelleren. Maar zonder die voorschriften zou er anarchie zijn en kan je buurman beslissen om in jouw huis te komen wonen met behulp van een basebalknuppel. Schrap de wetten en de uitvoerders daarvan en het dun laagje vernis gaat er vanaf en zijn we weer een bende woeste primaten. Getuigen de solden of het doordeweeks gedrang in het weekend. Karren die woest tegen hielen stompen. Mensen die vervelend trachten voor te kruipen aan de kassa. En zo voort. Ik moest  voor een bloedproef naar het ziekenhuis, ik ging daarbij iedereen uitgebreid uit de weg. Me tot zo min  mogelijke last makend. Op de weg naar huis stonden we voor een rood licht. Ma en ik zuchtten, het was zo’n licht die eeuwig en drie dagen erover deed om op groen te springen voor tien seconden. Toen zagen we hem. Een veertiger met gewatteerde winterjas die waarschijnlijk aan zijn zoon toebehoorde. Hij reed op een citybike met gezwinde tred door het rood, aan de overkant bijna in de bocht vallende als een ware coureur. Daarna raasde hij door de hoek om. We keken het ademloos aan. Na vijf minuten staken we over. We zagen een vrouw pompelmoezen oprapen uit haar omgekieperd karretje. Ik raapte er een paar op en deed het in haar plastic zakje.

‘Die duivel,’ zei ze kwaad, nu moet u weten lezer, ze zei dit in plat Aalsters dialect. Ik als inwoner geboren en getogen kan het verstaan maar niet spreken noch schrijven. Een dergelijke zin hier inbouwen zou teveel op koeterwaals lijken.

Het ging in de trend van: ‘da krapuul heeft me van mijn klakken gereden.’

De woeste fietser had haar dus aangereden. Ik schudde meewarig mijn hoofd.

‘Dan zie je ze nooit, he, mevrouw?’

‘Nee jong, ge hebt gelijk, de flikken zie je nooit als ze nodig zijn.’

Ma vroeg later:’ je was zo mondig, dat is niets voor u.’

‘Ik ben strijdlustig,’ zei ik in mijn sas. De lentezon deed deugd en de derde leeftijd deelt met de dertig jarige een algemene vijand. De vervaarlijke veertiger op zijn fiets die voorgoed aan de ketting diende gelegd te worden.

Maar het werd nog gekker. Wat verder had je het school, de VTI, tweederangs onderwijs, ik had er ooit het genoegen om wat rommel te verhuizen met mijn collega fietskoeriers. Dat deden we als er geen post te bedelen was. Eigenlijk was er vaak geen post te bedelen. Dat was dan ook een miserabele job, je verdiende meer van de werkeloosheidssteun, ze behandelden je als slaven. In ieder geval ik had er een dure breedbeeld van de vierde trede van een trap laten vallen. We mochten meteen gaan en moesten er nooit meer heen.

Mijn collega’s gaven me schouderklopjes.

Nu zag ik die fietser een jongen een veeg uit de verbale pan geven.

‘Zozo, Pieter, de regels gelden voor jou niet, he, onder de pauze wordt er niet gerookt achter de hoek.’

De jongen keek hem deemoedig aan.

‘Maar door het rood rijden mag wel, he,’ zei ik luid genoeg.

De leraar keek blozend de andere kant uit.

Dat deed echt deugd. De hypocrisie en het meten met twee maten moet zoveel mogelijk de aan de paal genageld worden.

Categorieën: Algemeen

3 reacties

NicoleS · 24 maart 2017 op 19:21

Heel mooi geschreven Midian. Met plezier gelezen.?

Esther Suzanna · 24 maart 2017 op 21:42

Ik begrijp niet helemaal de link tussen de twee stukjes. Althans, er is wel een link maar geen verbindende factor.

Desalniettemin vind ik je schrijfwijze leuk. En ja, hypocrisie en dergelijke mag te allen tijde aan de schandpaal worden genageld. 🙂

Mien · 25 maart 2017 op 16:32

Geslaagd voor en als rijbewijs. Absoluut. Allemaal. Ook die uit Aalst. ?

Geef een antwoord