Ik leg mijn wandelstok te rusten. Op het vurenhouten dressoir dat in de gang staat. Mijn hoed leg ik erbij. Dit moet zonder stok en zonder hoed. Op eigen kracht. Ik doe de deur naar de kapel open. Het is geen zware eikenhouten deur en ook geen echte kapel. Het is veel meer een grote lege kantine met plastic stoelen. Slechts een kleine kruisweg van borduursels aan de muur, wat waxinelichtjes op een schaal en een vreemde balsemgeur, doet vermoeden dat je een bijzondere ruimte betreed. Een klein heiligdom, bezwangerd met stille en zware lucht.
Er zijn weinig mensen aanwezig. Op de derde rij een man, diep voorover gebogen, duidelijk in gebed. Hij is er altijd. Door de aanwezigheid van deze man verlaat niemand onopgemerkt de ruimte, de aarde, het heelal. Het is een vertegenwoordiger van onvoorwaardelijke liefde. Voor hen die komen en voor hen die gaan. Een bijzondere man. Op de vijfde rij zitten twee vrouwen naast elkaar. Ik herken ze uit de gang. Ze dragen donkere kleren en staren voor zich uit. Richting kist die sober op een draagbaar rust. Een eenvoudige kist met bovenop een bloemstuk. Een bloemstuk, met voor de gelegenheid, veel te felle fout gekleurde bloemen.
Ik besluit op de eerste rij te gaan zitten. Dichtbij mijn vriend. Hij is dood. Alleen weet hij het zelf nog niet. Althans dat denk ik. Hoop ik. Met stille woorden fluister ik het hem in. Heel even lijkt het of de kist tot leven komt. Ik denk toch echt geluiden te horen. Zou de boodschap binnen zijn gekomen? In gedachten neem ik afscheid. Ouderwets, zoals we dat altijd deden. Bijna dagelijks, gelijk een ritueel. Met onze neuzen boven een kleintje jonge klare, met een veelbetekenende blik. Genietend van volle, warme stilte. Stilte die ons verbindt. Telkens weer beseffend, dat dit wel eens de laatste ontmoeting kon zijn.
Een laatste ontmoeting, nu na zevenennegentig jaar en drie maanden. Zo lees ik op het kaartje dat mij wordt aangereikt. Ik heb een stuk gemist. Niet eens gezien dat er een voorganger binnenkwam. Een voorganger die kort en bondig ongetwijfeld een paar lieve en troostvolle woorden heeft gesproken. Ik heb ze gemist, de woorden van afscheid. De twee vrouwen op de vijfde rij houden een klein zakdoekje voor hun mond. Ik vraag me af wat er niet naar buiten mag komen. Ze houden beiden mond en gedachten waterig op slot. Dit soort bezoeken zijn voor oude mensen, met eindeloos vervagend licht in zicht, elke keer opnieuw een verzoeking.
Mijn lieve grote vriend is niet meer. Mijn stille kaart-, denk- en drinkgenoot. Mijn lieve aanwezige op afstand. Ik ga je missen. Dood en levend, zoals je nu voor eeuwig bent en blijft. In een kist en in mijn gedachten. Dag lieve ouwe jongen. Het ga je goed. Waar en wanneer dan ook.

11 reacties
Libelle · 11 december 2013 op 13:39
Eindeloos vervagend licht, mooie column.
Spencer · 11 december 2013 op 15:12
Ik sluit me bij Libelle aan.
alice · 11 december 2013 op 16:09
prachtig, ben ontroerd, of ik erbij was.!!
g.van stipdonk · 11 december 2013 op 19:32
Stemmig verhaal passend in deze donkere dagen.
Nachtzuster · 11 december 2013 op 19:35
Mooi deze. Past ook in het plaatje van je avatar. Ontroerende laatste alinea.
Ferrara · 11 december 2013 op 19:52
Ik begin onderhand te geloven dat je het verzorgingshuis behoorlijk van binnen kent.
Zo treffend beschreven.
Sagita · 12 december 2013 op 01:09
Hier blijf ik even stil bij staan.
Mien · 12 december 2013 op 08:12
Ingetogen, intiem en waardig afscheid Harrie.
Bijzonder ook in mystiek en symboliek.
Sagita · 12 december 2013 op 12:22
Harrie kom je 12 januari ook naar Roozendaal? Het lijkt me erg leuk om jou ook eens te ontmoeten.
groet Sa!
Libelle · 15 december 2013 op 18:08
Roosendaal Sagita.
Sagita · 15 december 2013 op 23:43
Dank Libelle. De s van roos en niet de z dus. Maar met een s of een z Harrie komt toch niet. Harrie heeft wel een potlood maar geen face. Jammer!