Vaak is het al donker als ik voor de laatste wandeling met de terriërs mijn woning verlaat.
Achter het tehuis voor oude mensen, voorbij het hertenkamp ver van de bewoonde wereld, heerst rust. Échte rust.
Bomen, elektriciteitspalen en telefoondraden steken grillig af tegen de relatief lichte horizon. Het tafereel onder een sterrenhemel, met de drie eiken waar de volle maan gedeeltelijk bovenuit komt, doet me denken aan een willekeurig schilderij van Jeroen Bosch. Wie zou er zeshonderd jaar geleden mijn routes, mijn wandelpaadjes, hebben gebruikt om honden stoelgang te laten maken en passant genoten hebben van de natuur? En van de rust. Hoe zou mijn hondenroute er lang geleden hebben uitgezien? Zouden er in de dertiende eeuw ook al van die stoere luie ambtenaren in een Floris en Sindala kostuum op pad zijn gegaan met vervaarlijk uitziende verbasterde boerenfoxen?

Tristan, zoon van de schout, zou dan met de honden Halewijn en Tijl gaan wandelen met als doel plassen en poepen. Onder de purperen hemel in de gele zon zouden ze passeren langs de brandstapel waar de smeulende resten nog getuigen van de terechtstelling van een overspelige boerin. Er zouden nog duizenden boerinnen haar voorbeeld volgen. De meeste zouden er niet voor worden gestraft. De schroeilucht van gat en kruishaar dringen diep in de neusgaten van Tristan en in die van de honden. De geblakerde schedel vertoont de grimassen van pijn die de foute deern ongetwijfeld heeft gevoeld bij de behandeling met de peer en het hete einde na een heet leven vol vertier.
‘Wie soeckt peert of wijf sonder gebreecken die magh het werck wel laaten steecken.’

Tristan en de honden passeren achtereenvolgens het pas ingezaaide maïsveld van boer Elckerlijck en het kasteel van Pierlala den Koninck om vervolgens in de bocht van het modderpaadje een eerste keer de behoefte te betrachten. Alle drie naast elkander.

In de bocht staat de oude galg waar in opdracht van Richter Hyronimus drie jonge traag groeiende eiken zijn geplant. Op het erf van boer Maerlande liggen twee dode konijnen.
Het dierenleed is geleden maar het wordt plotseling wel erg donker en Tristan besluit zijn vaste route niet helemaal uit te lopen. Hij gaat binnendoor, via het dievenspoor, langs herberg ‘Den Witte Swaene.’ Het is een beruchte plaats waar lichtekooien als Gwende, Bedivere en Mathilde proberen wat dukaten en florijnen af te zuipen van de hardwerkende godvrezende boeren, burgers en buitenlui. Menig vaste klant heeft daar al wat halsheerlycheiten voorgeschoteld gekregen. En een hoop pagamentum achtergelaten!

Tristan en de bastaards komen nu op de hoofdzandweg die Calmpthout verbindt met Esschen. Ter hoogte van café ‘de Rooden Geboerlicke’ steekt Tristan een pijpje op. Halewijn gromt zachtjes en kijkt zijn baasje bezorgd aan. In ‘de Rooden’ worden regelmatig vrijgezellenavonden georganiseerd en het is daar waar de eerste befaamde openingszin uitgesproken is door Karel van den Elegast tegen een mogelijk alleenstaande boerin.
Babbe, zo gek als een staldeur, was onder de indruk van die prachtige zin. Maar Sigmund de Koene, eigenaar en teugelman van Babbe was dat ook. Van den Elegast en Koene hebben verschrikkelijk gevochten. De klappen met de goedendag en schoten van de blijden waren niet van de lucht.
Veel later trouwde Babbe met een of andere melancholische troubadour uit Den Brielle die buiten geweldig zuipen ook nog eens goed met zijn luit en fluit overweg kon.

Tristan is met zijn dierengezelschap den erf opgelopen van zijnen stulp. Hij is vermene dat Calmpthout een prachtig dorp is. Alleen zou de cijns wat lager moeten zijn. Hij dooft alle kaarsen in huis want de schout is daar erg streng op. Terwijl hij zich lekker onder het stro nestelt denkt Tristan aan het eerste lesuur de volgende ochtend. Een doordeweeks proefwerk laaglandelijke geschiedenis. Gelukkig is er nog niet zo veel gebeurd en is het vak geschiedenis vrij eenvoudig.
Eenmaal in dromenland hoort hij de bel van de belleman niet, die al voor de zesde keer vandaag de komst van een groep pestkoppen aankondigt.
De brandwachter loopt zijn ronde die avond wat sneller.

Categorieën: Algemeen

10 reacties

Ontwikkeling · 29 januari 2012 op 11:18

Genoten, waarde heer Louis.

Ik denck echter, dat edele lieden zich op andere wijze met de hond bemoeiden. Zo’n hellebeest reeg de restjes te vreten en zwierf verder op het erf rond. Uitlaten? *proest ende gier*

Maar genoten heb ik van dit stukje. Ik kon mijn rok bijna voelen wapperen en mijn rijglaarsjes zaten wat knellend van de wandeling met Tristan. 😀

Boukje · 29 januari 2012 op 11:21

Ik heb dat ook als ik in oude binnensteden loop, dan mijmer ik over koesten op de kinderkopjes en hoepeljurken. In welke voetsporen treed ik nu en hoe hebben de mensen van vroeger deze plek ervaren…

Mooi stukje! 😀

arta · 29 januari 2012 op 14:05

Mooi, deze Middeleeuwse taferelen onder leiding van Tristan!
Vergis ik mij, of is dit de tweede wandeling die we mee mogen beleven?

pally · 29 januari 2012 op 16:33

Een wandeling terug in de tijd, Louis, maar met ongeveer hetzelfde decor als eeuwen geleden. Vanzelf vloeit daar dan ook ook andere taal uit voort. Als lezer voel je alles wat veranderd is, maar vreemd genoeg ook weer niet: mensheid is mensheid en natuur is natuur gebleven. Renovatie en ‘beschaving’ zijn maar een uiterst dun laagje vernis. Dat heb jij er even vanaf gewreven. Mooi gedaan! :wave:

groet van pally

Mien · 29 januari 2012 op 19:20

:duimop: Oftewel mooi beeld geschapen.

Libelle · 30 januari 2012 op 10:43

Als de leraren zo sprekend vroeger tijden zouden doen herleven, dan zouden we meer schik hebben in onze afkomst en zou de belangstelling herleven.
Ik bewonder u.

Ferrara · 30 januari 2012 op 16:35

Mooie laaglandelijke geschiedenis. Hoe gaat het verder me de komst van de pestkoppen?

Grumpy-old · 31 januari 2012 op 01:27

heerlijk verhaal dat gaandeweg verzinkt in de tijd .En naarmate de tijd veranderd, veranderd ook het taalgebruik. 🙂

grappig detail ik denk nu dat ik weet waar je ongeveer woont ; Ik ken de streek rondom essen en kalmthout redelijk goed.

Meralixe · 31 januari 2012 op 15:27

Graag gelezen.

Vorig jaar hebben “moordenaars” hier in het dorp een Berk van meer dan 200 jaar omgezaagd. Reden, te veel bladeren. Ook daar dacht ik aan bij het lezen van uw column. :hammer:

LouisP · 1 februari 2012 op 17:15

Dank je wel voor het lezen en reageren.
Tijl is er imiddels niet meer.

L.

Geef een antwoord