Ze kwamen uit de bekende en minder bekende lager gelegen delen van de streek. Uit de Beemster en de Schermer. Uit de Mijzen en de Eilandspolder. Maar ook uit de Wimmenummer polder, Philisteinse polder, Damland en Bergermeerpolder. In de stad kwamen ze samen. In de stad was het feest. De lokale voetbalclub was kampioen. Ook wij togen naar de stad. Dat kon te voet. Het feest vond hemelsbreed namelijk nog geen vierhonderd meter van ons huis plaats. Op het water van het Noordhollands kanaal. Hetzelfde kanaal dat een kleine tweehonderd jaar terug, toen arbeiders nog arbeiders waren, met de schop werd gegraven. Een kleine tienduizend man groef in een tijdsbestek van vijf jaar de verschillende Noordhollandse ringvaarten en boezemwateren aan elkaar tot kanaal. Van Amsterdam tot aan Den Helder. Mannen met meer eelt dan huid. Voor een hongerloon, voor dag en dauw. Oud en af voordat ze veertig waren. Als ze het al haalden. Een andere tijd uiteraard. Een kutklus.

Aan het kanaal vonden wij een plekje. De sfeer was goed. We stonden goed. We hadden uitzicht op het podium. Volwassen mannen achter ons zongen uit volle borst dat alle joden homo waren. Ik hoorde het en bedacht dat het zou kunnen. Ik weet het niet. Uit de overtuigende zang van de mannen dacht ik op te kunnen maken dat zij niet twijfelden aan hun gelijk. Het waren tien of elf mannen die in een kring met de armen over elkaars schouder geslagen de boodschap bij elkaar in de oren schreeuwden. Ze wisten het zeker. Na een klein half uur werden de teksten van de mannen minder samenhangend. Teksten vervielen meer en meer tot lala lalala lalala afgewisseld door een uit de tenen komend “Kampioenen !”. Wij waren in afwachting van de helden.

Het duurde een klein uur voordat de boot met de kampioenen verscheen. Meer dan een incidenteel “homo”of “kampioenen” kwam er toen al niet meer uit de mannen achter ons. Het gros voor ons daarentegen gaf zich collectief over aan de wat beperkte regionale voetbalpoëzie. Op aangeven van een uitdagend gebracht “retteketet” schreeuwden wij allen “AAZET”. Dit werd een paar keer herhaald. Vervolgens gingen wij met enkele van de ontwaakte mannen achter ons over in een massaal gedragen lala lalala lalala.

De regionale grootbankier en zijn immer geëmotioneerde maar enorm getalenteerde protegé waren naast de elf voetballers het middelpunt. Wij zongen hen toe. De provincie had de grote stad verslagen. Ze hadden helemaal niets in Amsterdam zongen wij. En iets over pannenkoekenmix. Ik heb niet alles meegekregen. Uit de gehouden toespraak begreep ik dat de jongens er hard voor gewerkt hebben. Hard gewerkt hadden zij. De mouwen opgestroopt. De schop in de grond.

Categorieën: Actualiteiten

4 reacties

LouisP · 30 april 2009 op 11:27

Fr.
Goed. Erg goed. Zoals Dees het omschrijft. In het Engels.
Zalig. Om te lezen.

gr.

Louis

champagne · 30 april 2009 op 16:59

Ik heb niets met voetbal, maar wél iets met deze column. Mooi verwoord!

Mien · 1 mei 2009 op 09:53

Deze mis ik:
… BOEEEERRRREEEEENNNNNNNN …
Maar verder, wederom goed, dit stukje poldervoetbalproza!!!

Mien

Anne · 2 mei 2009 op 09:12

Ik proef de sfeer. Gemengd bitter en zoet.

Geef een antwoord