Verontwaardigd draai ik me zo ver mogelijk om, en probeer zijn grote hand van het handvat te duwen. ‘Ik wil helemaal geen koffie, en waar ken jij Brigit dan van!’ schreeuw ik. Althans, het geluid dat uit mijn keel komt lijkt meer op een schor gekras.
‘Hoho, rustig man, ik ben er om je te helpen,’ zegt de man, en duwt mijn hand weg. Zijn haast melodieuze stem staat in schril contrast met zijn lompe postuur, en als een zure oprisping komt er een raar geluid uit mijn keel.
Het dringt tot me door hoe kwetsbaar ik ben in een rolstoel, niet capabel genoeg om van me af te slaan. Tegelijk flitst er door mijn hoofd dat ik dat nooit goed heb gekund.
‘Waar gaan we heen? Ik wil graag iemand bellen …’ zeg ik, terwijl de man me in een flink tempo door het park duwt.
‘Als jij iemand wilt bellen, dan regel ik dat. Mijn naam is Jones trouwens,’ zegt de man opgewekt.
Ergens heeft het ook wel iets geruststellend, ik hoef mezelf niet meer vooruit te rollen en blijkbaar wil hij mij helpen. Ik sluit mijn ogen, en geniet een kort moment van de luchtstroom die door de snelle passen van de man langs mijn huid strijkt. Dan sluipt de onrust weer binnen. Het gevoel van hulpeloosheid, dat iemand macht over me heeft, komt me bekend voor. Overgeleverd aan de grillen van een ander, niet in staat om op te treden.

We rijden door een gietijzeren poort het park uit, een winkelstraat in die er verlaten bij ligt. Er fietst een man langs met een aktetas op zijn bagagedrager, en terwijl ik de straat door geduwd word, passeren we een oud vrouwtje, die een pluizig hondje uitlaat. Dat hondje is waarschijnlijk net zo oud als zij; beiden verfrommeld en verwaarloosd.
Er brandt licht in een bakkerij, en de man trekt de glazen deur open. Tot mijn verbazing lijkt het binnen net een klein restaurant, en Jones rijdt me naar een tafel. Door de bedwelmende zoete geur die in de bakkerij hangt, voel ik hoe leeg mijn maag is; spontaan loopt mijn mond vol met speeksel.
‘Koffie? Iets erbij,’ vraagt hij als hij een stoel heeft weggehaald en me aanschuift aan de ronde tafel.
‘Ik lust geen koffie,’ zeg ik. Wat in de vitrine ligt ziet er vreemd uit, behalve de tompoezen.
‘Doe maar een cola en een tompoes.’

Schijnbaar weet Jones veel over mijn vriendengroep. Ik vertel hem over het Honk, mijn ouders, Arnold, Matthijs en Tom, en natuurlijk Brigit. Ook dat het laatste wat ik mij kan herinneren die avond is, dat ik met Brigit achterop onderweg naar het Honk ben. De vragen die hij mij stelt geven me een ongemakkelijk gevoel. Ik word er een beetje naar van. Hoe moet ik nou weten wat al mijn vrienden denken en doen?
Na drie happen van het bladerdeeg met room protesteert mijn maag; alsof er een soort haarbal vastzit tussen mijn maag en slokdarm die er elk moment uit moet. De misselijkheid en de sensatie alsof iemand constant met een priem in mijn achterhoofd steekt, is overweldigend. Ik voel me opeens hondsberoerd.
Jones schraapt met zijn vorkje over het plastic folie van zijn verdwenen stuk taart dat hij gulzig naar binnen heeft gewerkt. Mijn gebak ligt gehavend op het schoteltje. De grote man past met moeite op het lichte gietijzeren stoeltje. Zijn donkerbruine ogen kijken me onderzoekend aan. Hij heeft geen onvriendelijk gezicht. De capuchon heeft hij afgedaan; kleine zwarte krulletjes omkransen zijn grote ruwe gezicht, de grove poriën en diepe lijnen in zijn huid geven aan dat hij niet zo jong meer is. Een jaar of 30; veel ouder dan ik.
‘Dus je herinnert je weinig?’
‘Ik had laatst wel een soort droom,’ zeg ik en neem een slok cola.
‘Vertel,’ zegt Jones nieuwsgierig.
Ik vertel dat ik in die droom Brigit aan het zoeken was, dat Matthijs en Tom op de oude bank zaten, en ik uitkwam bij de deur naar de binnenplaats.
‘Die zat op slot, en toen werd ik wakker,’ eindig ik.
‘Waar was Arnold, die andere vriend dan?’ vraagt Jones.
‘Die was er wel, maar die zag ik niet …’
‘Heb je de deur open gekregen?’
‘Het was een droom hoor,’ zeg ik pissig. Terwijl ik het uitspreek voel ik weer een pijnscheut achterin mijn schedel en krimp in elkaar. Mijn hoofd valt voorover, in het hoopje room dat op mijn schoteltje ligt. Zo blijf ik zitten tot de pijn wegtrekt.
Ik voel de hand van Jones op mijn rug, wrijvend. ‘Rustig maar, het komt goed. Alles op zijn tijd,’ zegt hij.
Ik heb geen flauw idee waar hij het over heeft, en richt mijn hoofd weer op. Jones zit op zijn hurken naast me, zijn bruine ogen zo dichtbij dat ik amberkleurig spikkels in zijn irissen zie; tijgerogen.
Jones loopt naar de toonbank, grijpt een paar servetten uit een houder, komt weer terug en reikt me ze aan.
‘Je ziet er niet uit,’ zegt hij grinnikend.
Terwijl ik de banketbakkersroom van mijn voorhoofd veeg, gaat Jones weer tegenover me zitten. Hij buigt zich over tafel naar me toe en zegt: ‘Misschien moeten we samen even op bezoek bij Brigit …’

Categorieën: Algemeen

Esther Suzanna

Ik schrijf omdat ik het niet laten kan op https://www.facebook.com/esthersuzanna/ en http://suzannaesther.nl/

0 reacties

Geef een reactie