Het is het bruin cafe. Overheersende geur van bier en zweet. Onderdrukte vermoeidheid en pijntjes. Voortbewegen verloopt over het glas van gevallen glazen en gebroken harten. Het is er net groot genoeg voor een optreden met een kleine honderd man publiek. Het is druk maar we staan goed. Niet te ver en niet te dichtbij. De band start. Aanstekelijk is het. Veel ruimte voor beweging was er al niet. Wat er was lijkt naarmate het optreden vordert alleen maar beperkter te worden. Een man in rolstoel. Twee mensenrijen voor ons. Hij legt een aardig beslag op de beperkt beschikbare ruimte. Voor half geld dubbele ruimte. Wij kunnen ons nauwelijks bewegen. Mijn compaan en ik. Voor ons, naast ons en achter ons. Allemaal mensen. Het is de reden dat we overeind blijven. Wij voelen onze benen en rug. Wij wel. De man in de rolstoel swingt mee met de muziek. Welwillende omstanders -de rijen voor ons- wijken. Ze maken ruimte en werpen blikken waarin ik begrip en verdergaande tolerantie vermoed, in rolstoelmans richting. Ze glimlachen. Ik lach niet. Ik probeer me op de muziek te concentreren. Verder zie ik onze maar vooral mijn bewegingsruimte verder afnemen. Onze ruimte wordt mijn ruimte. Naarmate de situatie penibeler wordt neemt mijn gevoel van gezamenlijkheid blijkbaar af. Even vraag ik me af of dat erg is. Even. Veel tijd om daar over na te denken is er niet. Ik moet opletten. De omvang van rolstoelmans draaicirkel neemt verder toe. Hij gaat los. Hij lacht en beweegt zijn hoofd en bovenlijf heftig maar ritmisch heen en weer. Tegelijkertijd gebruikt hij de handen om de rolstoel alle kanten op te laten rijden. Het is al met al een knap staaltje. Ik bespeur een kort moment van opkomende bewondering. Een kort moment. De rij voor mij staat met regelmaat op mijn tenen. Excuses worden niet meer gemaakt. Mijn aandacht voor de muziek is weg. Overleven is het parool. Ik fantaseer de gebroken glazen in rolstoelmans banden; zijn handen tussen de spaken. Ik wens hem een acute wonderbaarlijke genezing toe. Rugpijn en getergde benen nemen mij geheel in beslag. Het wordt even teveel. Echt teveel. Ik besluit tot actie; dring me door de rij voor mij heen; tik de man in de rolstoel op de schouder; kus hem vol op de mond en vraag hem vriendelijk doch dringend of ik even mag zitten. In de rolstoel ja. Hij knikt begrijpend, staat op en zegt: “natuurlijk mijnheer, ik zeg altijd maar zo: opstaan voor iemand misstaat niemand”. Ik ga zitten, ontspan en realiseer me dat ik vermoeider ben dan ik dacht.
 Het zal de eilandsfeer zijn. Het theatrale in de lucht. 
Ik sluit mijn ogen.
 Overtuigd van het goede in de mens droom ik weg.

Categorieën: Algemeen

5 reacties

LouisP · 29 juni 2012 op 20:12

Er zit wat in. Ik zie je daar staan, zoals ik je ook altijd zie fietsen. Nadenken over de korte zinnen, of ze nog korter kunnen. Of misschien denk je er helemaal niet over na.
Nooit over nagedacht dat een man in een rolstoel ook kan gekust worden door een vreemde. Bijzonder stukje

Sagita · 30 juni 2012 op 10:31

Mooi dat gefilosofeer over ruimte. Wat het doet met de hoofdpersoon in dit verhaal. Verrassend slot!

sylvia1 · 30 juni 2012 op 19:43

Ik weet niet zo goed wat ik met het slot moet; absurd en toch blijft het bij mij niet hangen. De rolstoelman tussen de dansende menigte vind ik wel heel sterk.

Mien · 1 juli 2012 op 01:08

Dit komt van Oerol, dat kan niet missen.
Mooi theatraal stukje Frank.
Met een diepe bodem.

Mien

arta · 1 juli 2012 op 10:26

Een bijzonder stuk dit, Frank!

Geef een antwoord