Ter Apel

Gisterochtend was ik mijn OV-chipkaart vergeten. Op het perron kwam ik erachter. Die lag nog op het nachtkastje, precies op de plek waar eerder mijn portemonnee er bovenop had gelegen. Ik ben toch maar ingestapt, want, ja, je wil toch op tijd komen.

In de trein was het heerlijk rustig, dus ik kon goed zitten. De conducteur kon mij zo ook makkelijk vinden. ‘kunt u zich identificeren?’ Natuurlijk kon ik dat, hier in mijn binnenzak zit immers mijn rijbewijs… Oh… Wacht… ‘Excuses, mijnheer, ziet u, ik heb gisteren mijn zomerjas in de kast gehangen en mijn winterjas gepakt. Er moet iets zijn misgegaan bij het overdragen naar mijn nieuwe jas.’

‘Dat zal dan wel. Gelukkig zijn we bijna op Utrecht, u kunt het aan de Spoorwegpolitie uitleggen.’

Een half uur later stapte een mevrouw, Irene de Jongh, binnen in het kleine kantoortje. ‘Grappig, mijn achternaam eindigt ook op een overbodige H.’
‘Er is niets grappigs aan deze hele situatie. Ik weet helemaal niet hoe u heet en zo’n achternaam heb ik nog nooit gezien. En hoe durft u de H in mijn achternaam overbodig te noemen.’ Dit liep niet echt lekker… ‘Mijn chef komt het zo met u afhandelen.’ Ze stond op en pakte haar portofoon. ‘Ik heb hier een escalatie op een 422. Hij denkt dat hij grappig is.’

Ik zat zo weer veertig minuten in het kantoortje. Ik besloot maar eens een boterham te nemen uit mijn tas, en net toen ik de eerste hap nam, stapte een politieman binnen. Met een vet Limburgs accent vroeg hij mij: ‘Zo, mijnheer Ceh, dus u dacht dat de treinen in Nederland gratis waren? U heeft heel wat uit te leggen. Nu!’ Aan het eind van zijn vraag ging zijn stem zo omhoog, dat ik niet wist of dit zijn accent was, of dat hij woedend was. ‘Mweneew, zo heef ik nie. Dawt if onfin. Ik ben mew kaatje fegetew.’ Dat hij mij, met mijn mond vol, niet verstond, neem ik hem niet kwalijk. Maar ik ben nog nooit zo verkeerd verstaan als gisteren.
‘Dat u geen paspoort gekregen hebt is uw probleem, mijnheer Ceh. Wacht u maar hier, ze komen u zo ophalen.’
‘Fja, maar…’
Ik had net mijn mond leeg, maar hij draaide zich subiet om, en nam zijn telefoon op die net op dat moment luidkeels het Nokia-riedeltje ging spelen. Ik hoorde hem in de gang nog opnemen: ‘Hallooo?’ Mijn bons op de deur hoorde hij niet. Wie kwamen mij ophalen?

Na een half uur besloot ik maar weer eens op de deur te bonzen. Niemand op de gang. Uiteindelijk riep een dame: ‘Ik zal voor u kijken.’ Na lang verder wachten viel ik op de stoel in slaap.

Ik werd weer wakker toen iemand mij riep. ‘Hé, opstaan!’ Een beetje traag – ik wist niet meteen waar ik was en hoe lang ik geslapen had – keek ik om mij heen. Een agent stond voor mij, maar de stem kwam van achter me. ‘Opstaan zeg ik!’ Een vlakke hand sloeg op mijn hoofd, niet heel hard, maar duidelijk nogal ongeduldig. Ik stond langzaam op. Ik bleek mijn handen niet te kunnen gebruiken, want deze waren achter mijn rug in de boeien geslagen. ‘Hé, wa’s dat? Waarom ben ik in de handboeien?’ ‘Jouw soort is altijd verbaasd. Alsof jullie zomaar de trein in kunnen stappen en van hot naar her rijden. Nou, nu ga je mee in de bus!’
‘Maar ik heb alleen maar zwartgereden!’
‘Nou spreekt-ie opeens prima Nederlands, hoor je, Arie?’
‘Hou je bek, anders wordt het alleen maar erger!’ sprak nu de man voor mij, die blijkbaar Arie heette. Hij hield zijn vuist omhoog. Als rechtgeaarde schijterd deed ik dus wat mij gezegd werd.

Ze liepen door de gang, naar een trap. Onderaan de trap stond een bestelwagen te wachten. ‘Waarom ze geen gewone bus voor ons hebben mag Joost weten’ , zei Arie. Ik wilde wat zeggen, maar Arie keek mij woedend aan.
‘Hup, d’rin!’
Voor ik het wist zat ik achterin een soort ME-voertuig op een bankje. De agenten hoorde ik voorin instappen, maar behalve wat bonzen op de tussenwand en door een hooggeplaatst raampje kijken kon ik met hen geen communicatie hebben. Ik besloot maar te gaan zitten, hopende dat ze me naar een politiebureau in Utrecht zouden brengen. Ik kende nog wel een of twee namen van agenten daar, en dan zou het zich wel oplossen.

Niet dus. De bus reed naar de rand van Utrecht, en ging de snelweg op. En daar bleven we, met wat waarschijnlijk zo’n tachtig kilometer per uur was, een hele tijd rijden. Het leken wel uren, en dat bleek later ook echt zo te zijn. Mijn tas hadden Arie en zijn kompaan, die blijkbaar Nourdin heette, in beslag genomen. Ik was gearresteerd en werd misschien rechtstreeks naar een gevangenis gebracht. Of naar een asielzoekerscentrum.

Daar stopte de wagen. Arie deed de deur open en keek mij weer aan met een verwoestende blik. Nourdin en hij waren een heel eind met mij gereisd. ‘Welkom in Ter Apel’, sprak Nourdin met een vreemde grijns. Ik zag een soort vakantiehuizen en barakken. En in de verte een hek en een slagboom. ‘Meekomen.’

Eenmaal in het kantoortje stapte een stevige man van een jaar of dertig binnen. Hij stak een hand uit. ‘Harm Sikkens. Meneer Ceh?’ Gelukkig had Nourdin mijn boeien losgemaakt toen hij mij op de stoel neerzette. Nu liep hij zonder nog iets te zeggen weg. Ik stelde mij voor. ‘En dus niet Ceh, ook al eindigt mijn naam ook op een H. Volgens mij hebben jullie je nogal vergist. Ik had om negen uur op mijn werk willen zijn.’ ‘Oh, sorry meneer Van Kraagh.’ (Blijkbaar had hij me niet goed verstaan…) ‘Ik hoor het aan uw stem. U begrijpt, ik moet dit wel verifikeren.’
‘Zoiets, ja.’ zei ik.

Afijn, werkgever gebeld, burgerservicenummer geverifikeerd, en ik mocht gaan. Ze konden me wel afzetten op station Groningen, daar moest toch iemand heen. Mijnie van Klevering heette ze. Een Drentse kwebbelkous met een veel te vrolijke inborst voor het werk in een asielzoekerscentrum – of voor mijn humeur. Het was inmiddels half zes en ik moest nog helemaal naar huis. Van mijn werkdag was niets gekomen, mijn werkgever – ruimhartig en vriendelijk tot op het joviale af – had ik toch heel wat uit te leggen. Mijn vrouw kon ik pas in de auto bellen, maar dat was ook geen plek om het hele verhaal uit de doeken te doen. Mijnie wist het wel. ‘Gewoon vertellen. Dat deed ik ook altijd tegen Simon.’ Simon was van haar gescheiden omdat ze het met William van haar vorige werk hield. Ze was inmiddels al zestien jaar met William getrouwd, dus het leed was verzacht. Niet dat het mij interesseerde, maar ik wou vast weten dat ze Simon een jaar of drie geleden nog eens was tegengekomen. En dat hij er toen nog slechter uitzag dan het hele oude hondje dat hij bij zich had. En dat ze altijd een hekel gehad had aan honden. En aan mannen die naar natte hond ruiken.

Inmiddels zag ik dat het nog 43,6 kilometer was naar Groningen. Ook al reed ze daar iedere dag naartoe, stond toch de Garmin aan. Mijn gevoel fluctueerde steeds tussen woede en berusting, tussen ‘eigen schuld’ en ‘wat een eikels’.

Maar wist je dat er in Ter Apel een reuze charmante jachthaven is? Ik nu wel.


Rvpcc

Ruben van Praagh (1978) is schrijver. Naast essays en columns schrijft hij ook voor bedrijven; van training tot business plan. Ruben komt uit Utrecht, is getrouwd en heeft vele interesses, waar hij ook over schrijft. Dit zijn, bijvoorbeeld, astronomie, economie, maatschappij & politiek, auto's, muziek, en gedragswetenschappen.

1 reactie

Nummer 22 · 16 december 2019 op 21:35

Ter Apel pfff moet u eems Termunterzijl, Vlagtwedde bezoeken, nee Doodstil is nog…..?
Ik heb genoten van uw column.chapeau!

Geef een reactie