Vroeger, bij ons thuis op de boerderij, liep er meestentijds wel een of andere hond over het erf. Verschillende van die beestjes hebben wij versleten. We woonden aan de Kanaaldijk, en wow, dat was een gevaarlijke weg. Regelmatig gebeurden er ongelukken. Twee van onze honden zijn daar in de loop der jaren op die drukke verkeersroute gesneuveld, overreden door auto’s. De eerste was onze Bobby. Dat hondje zat ’s middags altijd trouw op de hoek van het huis te wachten tot wij van school thuiskwamen. Tot op die fatale dag toen hij door een bolide werd geschept. Einde Bobby. Het tweede slachtoffer was onze Flappie. Een cadeau van een vriend, vanwege mijn verjaardag. Verborgen in een jute zak en over mijn schouder geslagen, sjouwde ik het dier, op mijn fiets mee naar huis. Moeder was er niet blij mee: “Straks rije ze h’m kapot en dan is ’t wir skruiwe,” klaagde ze. En gelijk had ze, want ook Flappie kwam op de Kanaaldijk aan zijn einde, met als gevolg; huilen, verdriet, rouw.
Tussen Bobby en Flappie in kregen we van een oom een herdershondpuppy cadeau, maar die verkochten wij voor vijfentwintig gulden aan de eerste de beste opkoper die langskwam. Mijn oom was daar achteraf niet zo content mee, maar voor ons was vijfentwintig gulden in die tijd een gigantisch bedrag.
Van nog kortere duur was het verblijf van een blaffer die een tante ons schonk. Op familiebezoek in de Mortel speelden wij de hele middag met dat beestje. Bij het afscheid zei mijn tante; “neem die hond maar mee. Hier kijken ze er niet naar om, en de boswachter schiet hem af als hij ziet dat hij weer achter de konijnen aanzit. Tenminste, daar had hij het laatst over.” Wij waren de koning te rijk. Vlug die hond mee de auto ingetrokken en rijden! Thuis aangekomen, na een tocht van vijftien kilometer, maakte ik de achterklep van de auto open. De joekel sprong er meteen uit. Als een speer ging hij er vandoor. ’s Avonds belde mijn tante op en vroeg; “Ik dacht dat jullie die hond zouden meenemen?” Het beestje is voortaan bij mijn tante gebleven, totdat de boswachter hem alsnog te grazen nam.
Een hond die zo maar bij ons kwam aanlopen, hield het het langste vol. Dat was onze Pollie. Pollie bleef tien jaar, en overleed gewoon aan ouderdom. De Kanaaldijk liet zij links liggen. Twee nesten jongen heeft Pollie ons geschonken. Een van de puppies heb ik nog aan mijn toenmalige vriendin cadeau gedaan. Haar ouders waren daar niet echt blij mee, maar het beestje mocht blijven, net als ik.
Jaren later vroeg mijn dochtertje steevast met Sinterklaas en haar verjaardag om een hondje. Op haar verlanglijstje stond eens: ‘Mag ik please please een hondje. Al is het lelijk of dom, dat maakt niets uit, ik zal er altijd voor zorgen. Als ik maar een hondje mag krijgen, of anders een pony.’ Na lang afhouden zwichtten wij uiteindelijk voor haar smeekbeden. Ze mocht een puppy uitkiezen uit het nest bij een kennis. Dat werd onze Ricky, een kruising tussen een Jack Russell en een dwergschnauzer. We hebben het beestje inmiddels tien jaar, en dagelijks gaan we twee keer met deze trouwe viervoeter wandelen. Mijn dochter is onlangs uitgevlogen, maar ze heeft Ricky bij ons gelaten. Want mijn vrouw en ik, we kunnen hem niet missen!

14 reacties
Meralixe · 9 maart 2016 op 11:35
Hm Gerard, mag ik Gerard zeggen?
Iedereen heeft wel een reden om een column te schrijven en onderwerpen te kiezen maar als gelezen worden belangrijk is heb je toch één en ander zelf in de hand. Ik denk dat hoe interessant ook dit voor u kan lijken, de lezer, na hond nummer vier of zo, al een beetje met zijn ogen zit te draaien. Toch opletten voor het ‘opsommende’ durf ik te zeggen.
Ik weet het, dergelijke fouten, als dit dan al als ‘fouten’ mag doorgaan, zijn dikwijls onzichtbaar voor de schrijver zelf.
Straks komt er een column van mij, spaar me niet, ik weet dat goed bedoelde kritiek de weg is naar het betere werk.
g.van stipdonk · 9 maart 2016 op 19:40
Hm Meralixe, mag ik Meralixe zeggen? Ik heb uw reactie echt driemaal moeten doorlezen om te begrijpen wat u bedoeld met: ‘Ik weet het, dergelijke fouten, als dit dan al als ‘fouten’ mag doorgaan, zijn dikwijls onzichtbaar voor de schrijver zelf.’
Desalniettemin bedankt voor de opbouwende feedback. Voor wat betreft de uitnodiging: ga ik zeker doen.
Mien · 9 maart 2016 op 11:44
Een mooie ode aan Bobby, Flappie, Pollie en Ricky.
Het riep bij mij ook jeugdherinneringen op.
Aan Kuifje, Youp, een bruine shetlandpony met blonde kuif en aan Slingertje.
It’s all in the name! 😉
g.van stipdonk · 9 maart 2016 op 19:41
Inderdaad, die herinneringen zou je er aan kunnen koppelen. Wat dat betreft zitten we aardig op dezelfde golflengte.
Novelle · 9 maart 2016 op 15:41
Tja dit is echt een column voor honden liefhebbers en dat ben ik in mindere mate.
g.van stipdonk · 9 maart 2016 op 19:41
Woef, en een pootje van Ricky.
arta · 9 maart 2016 op 16:08
Een ode aan jouw viervoeters, wat lief.
Voor de lezer had er wellicht wat meer schwung in gemogen, maar ach… Zeker leuk om te lezen
g.van stipdonk · 9 maart 2016 op 19:42
Dank je wel en; leuk is ook leuk.
pally · 9 maart 2016 op 17:25
Ik vind die hondenminigeschiedenisjes wel leuk. Een soort kennel…
g.van stipdonk · 9 maart 2016 op 19:42
Aha, een kenne…r – Bedankt voor deze fijne reactie.
Mosje · 9 maart 2016 op 22:22
Gelukkig hield je dochter niet van reptielen. Anders had je nu mischien met een krokodil gezeten. Die leven lang en worden nooit op kanaaldijken dood gereden
g.van stipdonk · 9 maart 2016 op 22:30
Dat is dan weer een geluk bij een ongeluk!
miepske · 10 maart 2016 op 08:07
Met plezier gelezen, en natuurlijk kun je altijd wel iets vinden wat jezelf anders zou doen maar het belangrijkste is (voor mij dan) durven schrijven en met hulp/advies/kritiek van anderen beter leren schrijven.
Gewoon lekker doorgaan!
g.van stipdonk · 11 maart 2016 op 19:55
Krek zo is ’t! Hartelijk dank voor deze positieve bijdrage.