Een onooglijk hondje was Barry. Als je goed naar hem keek dan zag je dat een van zijn verre voorouders een poedel moet zijn geweest. Hij was ook niet getrimd als een poedel. Het was meer een smoezelig warrig dotje haar op pootjes. Hij had een aaibaarheidsfactor van nul komma nul. Hij blafte te pas en te onpas. Zijn blaf had een hoge snerpende toon en zorgde voor een indringende aanslag op je oren, waarvan je ineenkromp. En luisteren deed hij ook al niet al schreeuwde je de longen uit je lijf. Hij stopte wanneer hij vond dat hij genoeg had geblaft.
Hoe mijn oma aan het hondje kwam weet ik niet. Ze had hem een ineens. Meegenomen van een van haar logeerpartijen. En dat deed ze nog al eens, sinds ze in het verre Zeeland woonde. Eens in de maand moest ze op pad naar de grote stad: Rotterdam, waar ze vandaan kwam.
De man van mijn oma, ome John was er niet gelukkig mee. ‘Als je een hond neemt moet je ervoorzorgen’, vond hij ‘en wie zou dat doen als oma weer de hort op ging?’
Hij dus.
En dat deed hij ondanks dat hij in eerste instantie niet blij was met de komst van Barry. Het werden twee heel dikke vrienden.
Waar ome John was zag je Barry. Hij liep hem overal achter na. Uiteindelijk konden ze niet meer buiten elkaar. Ze waren onafscheidelijk.
De hond at met hem en sliep met hem. Maar het bleef een onooglijk onaantrekkelijk hondje, ook al werd hij kaal geschoren vanwege de vlooien, je liep er met een boog omheen.
Totdat ome John ziek werd.
Voor die tijd werkte hij op het land bij de boeren of in zijn moestuin en dat op zijn leeftijd van 84 jaar!
Ome John kreeg acute leukemie. Na de eerste bloedtransfusie ging het weer wat beter met hem. Maar al gauw ging het mis.
Op de verjaardag van mijn oma werd ome John met spoed naar het ziekenhuis vervoerd. Hij wilde niemand met hem mee hebben, we moesten maar de verjaardag van oma vieren.
Die dag vierden we zo goed als het kon de verjaardag van oma. Het werd haar laatste. Tegenover de bank, de plek waar ome John altijd zat, zat Barry met een hangend kopje keek hij naar de grond als een zielig hoopje hond. Hij at niet, hij dronk niet en hij blafte niet, alsof hij voelde, dat zijn baasje nooit meer thuis zou komen.
Zelden heb ik zo’n meelijden gevoeld met een hond. Barry was ineens niet lelijk meer. Daar zat een trouwe viervoeter die treurde om zijn baas, terwijl wij gewoon doorgingen met verjaardag vieren.
Drie dagen later is Barry ‘ingeslapen’bij de dierenarts.
Misschien zijn ze wel weer samen: onafscheidelijk.

Categorieën: Algemeen

2 reacties

Kobus · 28 maart 2003 op 18:00

Mooie column Judith. Ik ben zo’n sentimentele ouwe lul die daar een brok van in zijn keel krijgt. Heb ook eens een [url=http://www.leukegedichten.nl/bekijkgedicht.php?cat=5&gedichtid=9955]gedichtje[/url] over de hondenhemel geschreven. 😥

Judith Coolegem · 3 april 2003 op 14:04

Kobus, ik heb je gedichtje gelezen en werd ook lichtelijk sentimenteel van. Leuke invalshoek om vanuit gene zijde te schrijven, heb ik ook een column over gemaakt, misschien stuur ik hem nog eens in.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder