Een grote hand pakt mij stevig bij mijn bovenarm en trekt mij van mijn stoel af. Er wordt mij opgedragen te luisteren, en hoe beter ik meewerk hoe sneller ik weer kan zitten. Ik wil niet mee, begin te schreeuwen en spartel tegen. Ondanks mijn geschop tegen zijn schenen en mijn oorverdovende gegil word ik aan mijn arm de gang opgetrokken. Het gaat niet snel, maar langzaam aan verlies ik terrein. Hij is veel groter en veel sterker dan ik ben. Mijn gevecht is kansloos. Het einde van de doodlopende gang nadert. Hij duwt mij naar de deur die met een zwaai open gaat. Heel even laat hij mij los. Lang genoeg om onder zijn arm door, de gang terug in te rennen naar de vrijheid. De adrenaline giert door mijn lijf. Bijna ben ik bij de deur, de deur naar buiten, de deur waardoor ik blindelings naar huis kan rennen. Door de steegjes, waar hij toch de weg niet weet, in ieder geval niet zo goed als ik. Ik leg mijn hand op de deurklink en voel onmiddellijk zijn enorme hand in mijn nek grijpen. Ik krimp in elkaar. Hij pakt me stevig vast en trekt mij weg van de deur terug de lange gang in.

Hij is er nu alert op dat ik niet weer hetzelfde trucje uithaal als daarnet. Zijn nog vrije hand pakt nu ook mijn linkerbovenarm en hij duwt mij over de drempel. Met zijn voet drukt hij de deur dicht en gaat er vervolgens met zijn volle gewicht tegen aan staan. Ik word losgelaten en sta midden in de kamer. Vluchten kan niet meer, ik word geconfronteerd met mijn grootste angst.

Er is nog iemand in de kamer, ik hoor een vrouwenstem tegen me zeggen dat ik niet bang hoef te zijn, ze wilt slechts enkele testjes doen. Die doen geen pijn, en als ik vanaf nu niet meer zo dwars ben, ben ik er ook zo vanaf. Ze vraagt me met mijn rug tegen het raam te gaan staan en voor te lezen wat er op het witte bord aan de andere kant van de kamer staat.

Tranen biggelen over mijn wangen. Met een rood hoofd van inspanning, loop ik naar het raam, draai me om en kijk naar de muur aan de andere kant van de kamer. De muur is een bont geheel van donkere vlekken afgewisseld met hier en daar een licht gele streep. Midden op die muur is een wit bord geplaatst met daarop zwarte, cirkelvormige vlekken. Hardop vraag ik me af wat ik voor moet lezen, ik zie geen tekst, alleen de cirkelvormige vlekken.

Hij antwoordt mij dat ik niet zo bij de hand moet doen, en dat ik gewoon moet vertellen waar de openingen zitten in de cirkels op de derde rij van boven. Weer kijk ik naar het bord, maar zie alleen de vlekken staan. De tranen die opwellen doen het zicht niet verbeteren. Ik zie echt niet wat er wordt bedoeld.
De vrouw vraagt mij een paar stappen naar voren te doen en het nog eens te proberen. Het ritueel herhaalt zich een paar keer. Totdat ik op anderhalve meter van het bord stond. Ik kan met moeite de openingen zien in de derde rij van boven.

Ik baal, buiten ligt er sneeuw. Iedereen is al buiten aan het rennen en met sneeuwballen tegen muren en ramen aan het gooien. Ik wil nu meedoen met de wedstrijdjes om wie de hoogste afdruk op de muur achterlaat. Wedstrijdjes die ik eigenlijk altijd verlies, maar wat vind ik die witte vlekken op de rode muren mooi. Vooral als de ballen wat hoger komen en er geen voegen tussen de stenen meer zitten.

De schoolarts schrijft een briefje en zegt tegen de hoofdmeester; “ze doet niet alsof, het is echt zo erg”. Ze vraagt mij om meteen naar huis te lopen en dat aan mijn ouders te geven. Ze zegt dat ze met een kwartier mijn ouders zal bellen om met ze te praten over het resultaat van de test. Vlak voordat ik naar buiten loop zegt ze: “meisje, doe voorzichtig buiten. Je ziet de wereld anders dan anderen. Geniet daar nu nog maar even van, binnenkort ziet alles er heel anders uit.”

Categorieën: Algemeen

8 reacties

DACS1973 · 27 augustus 2011 op 08:26

Je hebt veel zorgvuldigheid betracht bij het schrijven, dat is duidelijk. Dat vind ik te prijzen in je stuk.

Punt van kritiek: je wilt in je verhaal de wereld door de ogen van een kind tonen, die daar ook nog eens op een bijzondere manier tegenaan kijkt. De grotemensentaal waarin het stuk is geformuleerd vind ik daar niet zo goed bij passen.

sylvia1 · 27 augustus 2011 op 20:28

Ja, ik kan ben het wel eens met het kritiekpuntje van Dacs. Ook lopen sommige zinnen niet zo lekker, bijv. “De tranen die opwellen doen het zicht niet verbeteren.”
Maar… wát een mooi & verrassend einde!

Meralixe · 27 augustus 2011 op 21:52

Wordt er hier een jeugdtrauma in een column gestopt?Dan is dit wel een moeilijke opgave waar U voor een groot gedeelte in geslaagd bent.
Hier en daar is het toch een beetje onduidelijk.

In de eerste alinia mag “ben” achter “dan ik” weg en in de derde alinea zou ik “Hij is nu alert dat ik niet terug het zelfde trucje uithaal”schrijven.”Er” en “op” vallen dan weg maar zorgen er voor dat de zin “lekkerder” leest. Vier lettetjes maken grote verschillen!!!
Schrijven is ook herlezen en eventueel schrappen en…. de beste stuurmannen staan aan wal!!!
:pint: :pint: :pint:

Harrie · 27 augustus 2011 op 23:42

Op zich goed geschreven maar ik voelde bij het lezen wel een bepaalde afstand. Iets te beschouwend verwoord naar mijn idee.

HKVH · 28 augustus 2011 op 11:58

Men is er pas op mijn twaalfde achter gekomen dat ik een bril nodig had. Ik bleek toen al -6 te hebben. Waar ik eerst niet mee kon komen met sporten en/of school bleek dat met een bril best wel mee te vallen. Veel dingen pas geleerd vanaf mijn twaalfde. Zo ook het goed en foutloos schrijven. Tot mijn twaalfde schreef ik veel, zo niet alles, op het gehoor.

Deze column heb ik een keer of twintig herschreven. Sterker nog hij was al eens eerder ingestuurd. Maar na inzending gevraagd het niet te plaatsen. De eerste versie was ruim twee maal langer dan wat er nu geplaatst is. En ja jullie hebben gelijk. Het had nog beter gekund.

Mien · 29 augustus 2011 op 15:15

Je kunt merken dat er met grote zorgvuldigheid aan de column is gewerkt. Ik vind het een goede column. Een wijs kind van 12, dat kan best. Jammer dat ze pas zo laat de handicap ontdekt hebben. Als kind weet je dan niet beter, maar toch …

Mien

Ferrara · 30 augustus 2011 op 20:29

Allemachtig -6, dat noemde ik als kind een jampotbodem. Ik kwam op mijn veertiende met het linker oog ongeveer in die richting. Maar dat ik de blaadjes aan de bomen bijna kon tellen was een openbaring.

Een jeugdherinnering in de taal van toen schrijven
vind ik heel erg lastig.

HKVH · 30 augustus 2011 op 22:49

Ai, -6 is niets, nu 20 jaar verder, heb ik op rechts -9 en op links -11,5 :slik:. Zo blij dat er lenzen bestaan, maar dat is iets voor een vervolg column

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder