Het is koud en guur op het kleine station. Mensen staan, al dan niet geoordopt, weggedoken in hun kragen voor zich uit te staren. Ik lees de posters nog maar een keer om de tijd te doden en steek een shaggie op, me nestelend naast een paal van de kleine overkapping. ‘Rookzuil’ heb ik hem gedoopt, omdat ik zo snel geen echte kan vinden. ‘Zij weer eens een vertraging, ik een peuk,’ sus ik mijn geweten. Oog om oog, tand om tand. Na twintig minuten van opperste verveling ontwaar ik in de verte dan toch het geel van het Sintusboemeltje. Het zou tijd worden. Mijn peuk is op, alle posters tien keer gelezen en Ongeduld wil zich meester van me maken. Hoeveel saaiheid kan een mens verdragen? Het rinkelen van de spoorboombellen haalt me uit mijn nikszeggende gedachten. De trein schuift langs het perron, deuren gaan open en er rolt een handjevol mensen uit.
In één oogopslag zie ik hem en raak even in verwarring. De gelijkenis heb ik nog nooit zo sterk gezien als nu. Zijn silhouet, de tred, de houding van zijn hoofd en handen. Ik schrik en reis terug in de tijd. Vijf en twintig jaar, of iets langer. Hoe vaak heb ik hier gestaan om mijn maatje van de trein te halen en zag ik onmiddellijk zijn lange gestalte boven de andere reizigers uitsteken? Waar is de tijd gebleven?

Voor ik verder kan nadenken, voel ik twee lange armen om me heen en een warme knuffel.
“Hoi mam!” Mijn zoon is gearriveerd, de verwarring ebt weg en ik kijk in twee vrolijke ogen, die onmiskenbaar die van hem zijn en niet die van zijn vader.
“Jongen, wat word je een volwassen kerel ineens,” stamel ik en geef hem een aai over zijn stoppelige wang. “Hoe is het?”

Vrolijk begint hij de laatste nieuwtjes te vertellen en we wandelen richting auto. Ik geef hem de sleutels.
“Rij jij maar.”
Hij gaat stoer achter het stuur zitten en zet met enig horten en stoten de auto in beweging, amper verhullend dat zijn rijbewijs spiksplinternieuw is. Het ligt niet aan hem, maar aan die ouwe kar, verdedigt hij zich. Ik zeg niks, maar zwiep af en toe wel erg hard door de bochten. Thuis aangekomen, stalt hij de wagen min of meer dwars in het parkeervak.
“Euh, dit is niet mijn sterkste punt,” vertrouwt hij me toe, “doe jij dat even?”
“Nee, dat doe ik niet,” zeg ik en hij worstelt net zo lang tot het enigszins ergens op lijkt. Zijn hoofd vuurrood van de inspanning en wellicht een beetje schaamte.
Grappend lopen we naar de voordeur, waar zijn zus hem hartelijk staat uit te lachen. Ze geven elkaar een vluchtige zoen en een vriendschappelijke stomp.

Weken heb ik ernaar uitgekeken. We zien hem niet zo vaak de laatste tijd. Hij heeft een drukbezet leven met zijn studie, twee baantjes en zijn minibedrijfje.

De kilte van het station ben ik vergeten. Ik voel me warm en compleet.
Mijn zoon is thuis.

Categorieën: Diversen

14 reacties

KawaSutra · 25 mei 2005 op 17:50

Prachtig beschreven, Ma3, mooie sfeertekening. Stations zijn altijd mooie lokaties voor een verhaal over weerzien of afscheid van mensen.

champagne · 25 mei 2005 op 17:57

Mijmerend het heden en verleden langs laten komen…mooi geschreven!

Mosje · 25 mei 2005 op 20:05

Zal ik het maar eens eerlijk zeggen? Sfeervol beschreven. Ik zag je als het ware zitten daar in Z.

[quote]Ongeduld wil zich meester van me maken.[/quote]Is hem toch niet gelukt he? Zou me verbazen bij een vrouw die graag zelf de zweepjes in handen houdt.
😛

Troy · 25 mei 2005 op 20:17

Die stations sfeer heeft iets. Al die mensen die komen en gaan, dat onpersoonlijke en het eenzame gevoel die je er soms kan hebben. En met al die vertragingen vind ik dat ze er gewoon eens borden met verhalen of iets dergelijks op moeten hangen…Mooie column in ieder geval.

Grt Troy

Wright · 25 mei 2005 op 21:30

Brr, ik heb een hekel aan treinstations.
Mensen jakkeren en jagen,verdringen elkaar en geven me een unheimlich gevoel.
En dan die achtelijke rookpalen, waar je als rookparia tot verbannen wordt.
Mooie, beeldende column heb je hier neergezet, Ma3.
De tegenstelling van het kille station en de warmte van thuis staat mooi in contrast.

sally · 25 mei 2005 op 21:51

Mooi marianne.
Vooral omdat ik ook nog weet hoe hij eruit ziet.
Toevallig.
Zo kreeg ik een mooi beeld bij jouw verhaal.
groet
Sally

Eddy Kielema · 25 mei 2005 op 22:09

Ik heb een zwak voor treinstations en helemaal voor die Syntusboemeltjes, dus ik heb erg genoten van deze column!

KingArthur · 25 mei 2005 op 22:17

Een heerlijk gevoelsmatige column.

melady · 26 mei 2005 op 01:48

[quote]al dan niet geoordopt,[/quote]

Of aan de mobiel…

Leuk beschreven
hrknbr

Melady 🙂

Louise · 26 mei 2005 op 06:35

Moeiteloos kreeg ik beeld en ik heb het meteen zwart-wit gemaakt. Een mooi sfeervol plaatje 🙂

Kees Schilder · 26 mei 2005 op 07:54

Mooi neergezet.

Ma3anne · 26 mei 2005 op 15:41

@Eddy: bedankt voor de correctie. Het is Syntus natuurlijk en geen Sintus. 😀

Li · 27 mei 2005 op 21:20

Ja, mooi en beeldend beschreven Ma3anne.

Ons oude vertrouwde stationnetje moet binnenkort plaats maken voor een hypermoderne glasbak. Muren die duizend-en-één verhalen kunnen vertellen worden zonder pardon opgeofferd aan een geldverslind Masterplan. 🙁

Raindog · 28 mei 2005 op 12:19

Mooie column. Ik vond met name het korte moment van gelijkenis en herinneringen mooi. Lijkt me een onwezenlijk moment. Zo van dat je op de klok kijkt om te zien welk jaar het eigenlijk is.

Geef een antwoord