Vanmorgen maakte ik met een vriend een wandeling door de Herselse bossen. Vroeger was dat ons territorium, zo voelde het tenminste. Daar speelden wij in onze vrije tijd, als kinderen en dan heb ik het over ruim vijfenveertig jaar geleden. Met nog twee vrienden vormden we samen een pact, een collectief, een nest; de Bospanters. Waarom de Bospanters? Mijn vader bracht eens een partij buttons mee van iemand die bij een tankstation van de BP werkte. Die buttons palmden wij in, spelden ze vast op onze overalls en voilà; de Bospanters waren geboren. Een naam die bij de scouting niet zou misstaan. Vele woensdagmiddagen en zaterdagen doken wij onder in het groene lover van de Herselse bossen en maakten lange tochten. Soms met pony en wagen. Dikwijls bezochten we dan de lokale stortplaats, midden in het grote bos. Daar verdween van alles in de grond. Wat er allemaal in de bodem zit verstopt, dat willen we nu niet meer weten! In ieder geval van alles dat het daglicht niet kon verdragen. Tegenwoordig zou je daar als afvalstorter een forse gevangenisstraf mee riskeren. Maar toen kon het niet op. En wij liepen daar als kinderen tussendoor, zoekend naar spullen om mee te spelen, te vechten, te dollen, om elkaar de loef mee af te steken of om te verzamelen.

Die hele stortplaats was naderhand afgedekt met een dikke laag aarde. En daarover liep ik nu, samen met mijn vroegere kameraad Bospanter. Tijdens onze wandeling zochten we naar herkenningspunten, die we konden linken aan gebeurtenissen uit onze kindertijd. Zoals de korenvelden. Ze deden me denken aan de verhalen die mijn vriend dan vertelde over de ‘korrenmennekes.’ Enge kerels die kinderen zoals wij het koren introkken en vasthielden. Hij joeg ons de stuipen op het lijf met zijn vertelsels en daar genoot hij van.

Maar soms viel het niet mee om de omgeving aan vroeger te linken. Alles verandert en ook het grote bos had een andere look gekregen. Sommige weggetjes waren verdwenen, andere er voor in de plaats gekomen. Bomen nieuw aangeplant, dan wel volgroeid of tot humus vergaan. We waren hier allebei al ruim vijfendertig jaar niet meer geweest en in die tijd hadden wij ook niet stilgestaan. Opgegroeid, mensen zien komen en zien gaan. Je wordt wijzer, soms. Er komen zaken op je pad die tot keuzes nopen. Mijn vriend emigreerde, naar ver weg, maar we bleven contact houden. Kwamen altijd weer bij elkaar, zoals nu. Want eens een Bospanter, altijd een Bospanter.

Categorieën: Algemeen

G.van Stipdonk

Gerard van Stipdonk. Mijn motto: Wie schrijft die blijft.

6 reacties

KingArthur · 20 augustus 2019 op 04:37

De tand des tijds…aardige overpeinzing.

    Nummer 22 · 20 augustus 2019 op 08:46

    Van oude stortplaatsen en de dingen die zijn verdwenen! Mooi geschreven waarde van Stipdonk.

    Een prangende vraag Uh.. bestaan kabouters en elfjes? U moet ze ontdekt hebben of…?

    G.van Stipdonk · 25 augustus 2019 op 22:22

    Hartelijk dank voor deze Koninklijke reactie.

      G.van Stipdonk · 25 augustus 2019 op 22:23

      Ze bestaan, maar ook: afgedekt met een dikke laag aarde.

Mien · 20 augustus 2019 op 08:21

Zelfs geen plastic zwaardje gevonden? Kan ik me niet voorstellen. Herstel. Klopt niet. Maar wrl een skôn ridderverholke.

G.van Stipdonk · 25 augustus 2019 op 22:23

Plastic zwaardje? Complete legeruitrustingen liggen er verstopt in die goeie ouwe stort.

Geef een reactie