Maarten
Met mijn verstand op nul staar ik naar de flikkerende tl-buis die onder de bovenkasten is bevestigd en aan vervanging toe is. Aangezien ik geen flauw idee heb waar ik een nieuwe kan aanschaffen, voegt die opdracht zich, tezamen met legio andere zaken die in mijn leven niet tot uitvoering komen, in een soort niemandsland in mijn brein.
Het schaaltje en de beker stapel ik in de andere schaaltjes en bekers die op het aanrecht staan te wachten op de afwas die ik eenmaal in de week doe.
Ik pak mijn jas van de kapstok, steek mijn mobiel en portefeuille die op de keukentafel liggen in mijn zak en draai met de sleutelbos die ik altijd in het slot laat zitten de voordeur open.
In een flits zie ik de deur van mijn overbuurman opengaan en sluit mijn deur. Ik heb geen zin in beleefdheidsvormen. Het door iedereen gebezigde ‘goedemorgen’ getuigt van een hypocrisie die zijn gelijke niet kent. In mijn wereld is het geen ‘Goedemorgen’ als je te vroeg je nest uit moet om de hele dag op een plek te vertoeven waar je niet wil zijn.
Met mijn oor tegen de voordeur gedrukt luister ik naar de wegstervende voetstappen. Als ik beneden de deur hoor dichtslaan doe ik een tweede poging tot vertrek.
Een koude windvlaag blaast door de straat en neemt in zijn vlucht resten vuilnis mee. De gemeentereiniging draagt blijkbaar geen verantwoordelijkheid voor zwerfafval. Als het niet in een afgesloten vuilniszak zit laten ze het liggen.
Dat het jasje van mijn pak al maanden niet meer sluit is geen ramp maar de laatste weken is mijn winterjas steeds meer gaan knellen. Vandaag krijg ik de rits niet meer dicht. Het bierblikje dat metalig klinkend over het trottoir voor mijn voeten rolt, schop ik geërgerd weg.
De tram is zoals gewoonlijk afgeladen en mijn poging om geen fysiek contact te maken met mijn medereizigers tevergeefs. De chauffeur heeft duidelijk een achterstand in zijn tijdschema want bij elke bocht worden alle zich aan handvatten, stangen en anderszins vasthoudende passagiers tegen elkaar aan gedrukt en heen en weer geslingerd.
Men accepteert het gelaten. Er hangt een deprimerende stemming in de tram. Naast de tegennatuurlijkheid van de fysieke nabijheid van vreemden, is het grauwe ochtendgebeuren onverdraaglijk. De impuls komt op om iets buitenzinnigs te doen. Ik wil eigenlijk wild om me heen meppen en ‘ga uit mijn space’ roepen. Wat zou er gebeuren als ik opeens Het Wilhelmus zou inzetten of ga schreeuwen? Zouden ze me uit de tram zetten of erger, afvoeren in een busje richting gekkenhuis. Gêne houdt me tegen.
Ik kijk om me heen en zie mezelf in de gesloten gezichten. Fronsend, lippen stijf gesloten en met de blik op oneindig ondergaat iedereen hetzelfde lot. Het zweet breekt me uit. Ik wil uitstappen maar dan kom ik te laat. Paniekerig tast ik alle gezichten af, zoekend naar een houvast in deze anonieme massa. Plots zie ik tussen de wirwar van armen die zich overal aan vastklampen bekende blonde haren. Ik buig door mijn knieën en gluur onder oksels door voor beter zicht. Een vrouw met een grote tas blokkeert het zicht maar volgens mij is ze het. De tas verplaatst zich naar de andere schouder en nu zie ik die spitse neus, haar profiel. Ze kijkt verongelijkt maar zelfs dan is ze mooi. Even ben ik ergens anders. Op een plek waar zij mij ziet.
De verteller
Terwijl we Maarten even laten hangen in de tram, alwaar hij tegen een vrouw staat aangedrukt die net als hij óók niet de moeite heeft genomen te douchen en zijn contactbehoefte van nul procent door een glimp blond haar stijgt, stel ik me even voor.
Ik ben de schrijver van onder andere bovengenoemd manspersoon. Je zou kunnen zeggen dat ik het reilen en zeilen van bepaalde personen observeer en noteer.
Maarten is een sukkel. Dat zegt hij zelf ook dus kan ik het met een gerust hart bevestigen. Hij heeft geen flauw benul dat alles wat in zijn leven misgaat, geheel en al aan hemzelf te wijten is.
Maarten werkt in een groot pand, gelegen op een deprimerend industrieterrein. Het pand is opgedeeld in units en in één van die units slijt Maarten zijn doordeweekse dagen, waar hij elke week wisselende producten aan de man of vrouw tracht te brengen. Deze betreffende dag moet hij wurgcontracten zien te verkopen, die de afnemer recht geeft op jarenlang onderhoud van kopieerapparaten en printers.
Hij weet dat ze daar nooit meer van af komen maar dat boeit hem niet.
Wat hem wel boeit is Lisa. In de kleine ruimte zonder noemenswaardig ventilatiesysteem zitten tien medewerkers, waaronder deze dame die meestal naast hem gaat zitten. Niemand heeft een vaste plek maar mensen zijn nou eenmaal gewoontedieren. Als Maarten zijn computer heeft geactiveerd, de koptelefoon met microfoon heeft opgezet en op de knop drukt voor het eerste telefoontje van de dag, kijkt hij altijd even opzij.

15 reacties
Mien · 4 november 2016 op 20:22
Alles kraakhelder uitgeschreven. Wat ik wel een beetje krijg bij het lezen is het gevoel te vertoeven in een reclamespot, of een zogenaamd hilarisch consumentenprogramma. Ook dat nog. Het risico van de kijker. Maar zappen kan ik nu niet.
Esther Suzanna · 5 november 2016 op 14:47
Haha, dat kan best. Gewoon wegklikken. 🙂
Nummer 22 · 4 november 2016 op 20:38
2x gelezen!!??
Esther Suzanna · 5 november 2016 op 14:47
Waarom?
NicoleS · 5 november 2016 op 09:12
Je hoofdpersoon is zwaar depressief. Het komt me bekend voor. Netjes geschreven.
NicoleS · 5 november 2016 op 09:51
Even een kanttekening bij mijn eerste reactie: zo komt het bij mij binnen. Uiteraard kun jij wel een heel ander uitgangsperspectief hebben. ?
Esther Suzanna · 5 november 2016 op 14:48
Hij zit in iig in een impasse. Depressie is denk ik een onderschat woord. Dan ga je de deur niet eens uit. 🙂
StreekSteek · 5 november 2016 op 09:57
De perspectief- en tempowisseling van Maarten naar Verteller maakt er ineens een soort reportage van en creëert afstand. Dat had om mij niet gehoeven, want het verhaal van Maarten zelf spreekt meer dan voldoende en is zeer goed neergezet. Maar het is weer eens wat anders en dat is dan weer verfrissend. Ik hoop op een vervolg.
Esther Suzanna · 5 november 2016 op 14:49
Dank je wel 🙂
Meralixe · 5 november 2016 op 10:13
Schitterend hoe je bij Maarten via onschuldig lijkende details het depressieve in je schrijven stopt.
Als je dan overschakelt naar ‘de verteller’ blijft dat klimaat nog een beetje hangen. De verteller observeert en schrijft,liefst van uit een donkere gezichtshoek?
Esther Suzanna · 5 november 2016 op 14:49
Zo donker is het toch niet? Het is semi realistisch… 😉
van Gellekom · 5 november 2016 op 10:48
Ga ik zeker nog een keer lezen. Heel erg goed
Esther Suzanna · 5 november 2016 op 14:56
Dank je wel 🙂
Nachtzuster · 5 november 2016 op 15:54
Het leest voor mij op een dusdanig lome manier dat het lijkt alsof ik naast Maarten meeloop. Compliment dus. Dat je een verteller aan het woord laat vind ik heel erg origineel en knap bedacht. Het doet mij denken aan de musicals waar een verteller op de voorgrond ook achtergrondinformatie geeft. Bijzondere wending Esther. Dikke plus!
emaessen · 5 november 2016 op 23:32
Zo maar even uit je god perspectief als schrijver stappen kun je uiteraard nooit of te nimmer flikken. Dat terzijde…
Ochtendhumeur, ken dat wel. Toen mijn vader, alzheimer, net in het verzorgingshuis zat gooide hij suiker in zijn cola en piste in de paraplubak. Hij had zijn eigen kijk op een en ander.