Elke avond voordat Leo in zijn bed stapt zet hij het raam op een kier en gluurt kort naar buiten. Zo ook vanavond, echter, ditmaal keek hij langer dan normaal. Er klonk rumoer op straat. Hij duwde het raam wat verder open en keek nieuwsgierig naar beneden. Er kwamen twee mannen aangelopen, die heftig met elkaar in gesprek waren. Ongure types. Dat beloofde weinig goeds. Op het moment dat Leo zich bedacht dat hij beter bij het raam weg kon gaan om niet nodeloos hun aandacht te trekken, keek de kleinste van het tweetal toevallig net omhoog. Helaas precies in zijn richting en hij zag de blik van de man verstrakken. De man had een opvallend bol hoofd, met zorgvuldig gekapte korte glimmende zwarte haartjes. Een arm werd omhoog gestoken, één vinger reikte iets hoger dan de overige. De korte mouw van zijn shirt zat strak om zijn gespierde bovenarm gespannen.

‘Koos! We hebben pottekijkers!’ riep hij met een plat Amsterdams accent.
‘Waar dan Sjaak?’ vroeg de tweede man met eenzelfde accent.
‘Daar, op de eerste etage, die vent daar.’

Een tweede blik werd op Leo gericht en het duo deed enkele passen in zijn richting. Leo stond als bevroren achter het gordijn. Hij wilde zo snel mogelijk bij het raam wegduiken, maar kon zich niet bewegen. Het was nu trouwens toch al te laat, ze hadden hem gezien. Ach, wat dan nog? Het was zijn huis, zijn raam en hij mocht naar buiten kijken wanneer en zolang hij dat wilde.
‘Sta me niet zo aan te staren, lul!’ riep de lange, tengere man. Hij had dun wit haar dat in lange slierten op willekeurige plekken langs zijn hoofd hing. Ook hij had net als zijn maatje een shirt met kort mouwen aan, zijn overdadig getatoeëerde armen staken daardoor goed af.
‘We leren hem wel even een lesje,’ riep de kleinste van de twee, terwijl hij langzaam op de auto voor Leo’s huis afliep. ‘Leuk karretje, daar ben je vast en zeker heel erg zuinig op.’
De rode familiewagen stond inderdaad prachtig te glimmen, hij was schoongemaakt en netjes in de was gezet. Gloednieuw en geheel zonder deukjes en krasjes. Leo zocht wanhopig naar een gepast antwoord, zodat de twee niet nog verder geïrriteerd zouden raken. Daarbij verspilde hij kostbare tijd; de man genaamd Sjaak had de auto bereikt.

‘Kijk nou, Koos! Buitenspiegels in de kleur van de lak. Mooi hè. Schijnen alleen niet zo stevig te zijn, hebben ze me verteld.’ Sjaak plantte zijn elleboog op de bovenkant van de plastic behuizing van de buitenspiegel en liet zijn gewicht erop rusten. Er klonk een krakend geluid in de stille straat. Met luid gekletter belandde de buitenspiegel op de klinkers. ‘Zie je wel,’ zei de kleine man met een gemeen lachje. Hij keek naar zijn maat en hield meteen op met lachen. ‘Koos, wat doe je nou?’ vroeg hij verbaasd, waarna hij meteen in lachen uitbarstte.
‘Moet je dit zien,’ zei Koos met gespeelde verbazing. ‘Die ruitenwissers kan ik er zo vanaf trekken! Stel je voor dat het vanavond was gaan stormen, dan zouden ze er zo vanaf zijn gevlogen. Dat zou toch veel te gevaarlijk zijn, Sjaak. Toch maar goed dat ik het zag, hè.’ Hij smeet de restanten van de ruitenwissers in Leo’s voortuin.

Het geluid van een raam dat werd gesloten klonk en de lange man keek snel achter zich. ‘Dag mevrouw!’ riep hij. Leo volgde zijn blik en zag een overbuurvrouw achter het gordijn wegduiken. Waarschijnlijk stonden meerdere buren stiekem van achter de gordijnen toe te kijken. Misschien stond Leo zijn nieuwe buurman ook verdekt achter het pas opgehangen gordijn opgesteld.
Er klonk een hoog, snerpend geluid, terwijl Sjaak om de auto rende. Na enkele rondjes bleef hij triomfantelijk staan en hield een glanzend voorwerp omhoog. ‘Volgens mij is het topje van mijn sleutel nu dieprood gekleurd. Dat betekent dat de lak losgelaten heeft. Kortom, je moet goed oppassen dat je geen voorwerpen tegen de lak krijgt die krassen kunnen veroorzaken. De lak van deze auto is erg kwetsbaar. Was het soms een goedkope aanbieding? Ik zou hem terugbrengen, man. Je bent duidelijk opgelicht.’

Koos begon aan de voorbumper te trekken en te rukken, maar kreeg hem niet meteen los. Sjaak pakte de andere kant stevig beet en begon mee te trekken. Zonder resultaat. ‘Kom,’ zei Koos. ‘Ik heb er eigenlijk geen zin meer in. Laten we een biertje gaan pakken.’
‘Dat is een goed idee, Koos. Laten we gaan.’
Sjaak keek naar Leo, stak zijn middelvinger omhoog en gaf tot slot een fikse schop tegen het voorportier van de auto. Dat kwam hard aan, gezien de vloek die daar op volgde. Het tweetal liep lallend weg. Sjaak hinkte licht.

Leo schudde mistroostig zijn hoofd en liep schoorvoetend weg bij het raam. Hij ging languit op bed liggen en deed de verlichting uit, waarna hij in gedachten het voorval nog eens naliep. Wat een vreemd stel was dat. Tuig. Zomaar een gloednieuwe auto molesteren. Als hij na dit alles nog maar kon slapen. Eén ding was zeker. Zijn buurman zou vannacht zeer zeker geen oog dichtdoen. Die was vast niet blij dat zijn nieuwe auto zojuist was vernield.


Kees

Zelfstandig schrijver en fotograaf

1 reactie

Yannick · 4 maart 2003 op 15:38

Die auto’s van tegenwoordig kunnen ook niks meer hebben 😀

Geef een antwoord