Ik was boodschappen gaan doen in de Aldi. Het was dorstig weer en ik had geen spuitwater meer. Op één of andere bizarre manier leek ik verslaafd aan spuitwater van de Aldi. Aan de overkant zag ik hem al huppelen. Een jongen, bruin van complexie, hooguit twaalf jaar. Hij had maar één schoen aan, al hinkelend probeerde hij de kiezeltjes te ontwijken. Het joch had kennelijk pijn in zijn voet. Mijn voornemen om zich niet in te mengen met anderen brokkelde af uit medelijden. Ik stak snel over.

‘Wat is er gebeurd met je andere schoen?’ vroeg ik vriendelijk

‘Hij ligt in de Dender,’ zei hij met een fijn stemmetje wars van enig accent

‘Je bent over de brug naar hier gegaan?’

‘Ja?’

‘Heb jij je schoen in het water gekeild?’

‘Nee, een paar jongens.’ zei hij verlegen, half bang, zijn hoofd gebogen.

‘Dat is gemeen,’ zei ik ‘woon je ver?’

‘De Schrijveresstraat.’

‘Dat valt mee, wil je in mijn nek zitten, dan breng ik je tot daar?’

‘Als het niet teveel moeite is?’ vroeg hij met een fijn stemmetje.

Ik kon best in mijn één hand de tas met water dragen en met de andere hem vasthouden.

‘Kom maar,’

Ik zette hem moeiteloos in mijn nek, hij woog niet zwaar, voor iemand op een eeuwig dieet een ware beproeving. Maar je kon nu eenmaal niet de kilo’s van een minderjarige vergelijken met die van iemand van vierendertig. We marcheerden flinsk door.

‘Je laat me toch niet vallen?’

‘Nee, hoor, je zit veilig.’

Een man met fiets stopte.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij.

Het was een besnorde bleke man. Je zou zeggen een alcoholicus.

‘Die jongen is zijn schoen kwijt, ik help hem naar huis.’

‘Lijkt me of jij al zwaar genoeg beladen bent.’

‘Helemaal niet,’ zei ik afwijkend

‘Ik wil hem best op mijn bagagedrager meenemen.’

Hij had een enge blik.

‘Ik wil niet met hem mee,’ fluisterde de kleine in mijn oor.

‘We redden ons wel,’ zei ik gedecideerd.

Hij zei bars: ‘dan moet je het zelf maar weten.’

In mijn hoofd zag ik de berichten “opsporing verzocht” met dat joch zijn foto erop al opdoemen.

Vloekend reed de man weg. Zwalpend over de weg.

‘Bedankt, zei het kind

‘Hoe noem je eigenlijk?’

‘Ahmed.’

‘Ik ben Michaël, Ahmed, aangenaam. Wat deed je op die brug?’

‘Pokémon vangen.’

‘En heb je er al veel?’

’67 verschillende.’

‘Wow, dat is een hele hoop,’ zei ik onder de indruk. Hoe kon een twaalfjarigen zoveel Pokémon hebben. Hij moet overal rondgezworven hebben.

‘Ze wilden mijn gsm, maar die had ik niet bij.’

‘En dan dwongen ze je schoen uit te doen?’

‘Ja.’

We bereikten de Schrijversstraat. Ik zette hem voor nummer 12 af. Een kwade dikke vrouw sprong op Ahmed toe en begon te ratelen in het Farsi. Hij kreeg een mep, en ging verslagen binnen.

Ze keek bot naar mij.

‘Hij kan er niets aan doen.’

‘Bedankt om hem te brengen,’ zei ze bot en ging toen naar binnen.

Ik hoopte maar dat alles in orde zou komen met Ahmed.

Ik heb die dadendrang in mij, ik kan een mens gewoonweg niet zien lijden. Thuis dronk ik een halve fles spuitwater in één keer leeg.

‘Jij ziet er moe uit,’ zei pa.

‘Je moest eens weten.’ antwoordde ik lanconiek

Categorieën: Algemeen

6 reacties

NicoleS · 17 augustus 2016 op 13:40

Och die arme Ahmed. Mooi gedaan

StreekSteek · 17 augustus 2016 op 14:26

De man op de fiets leed waarschijnlijk ook aan een onvervulde dadendrang. Mooi kaal neergezet.

Mien · 17 augustus 2016 op 14:35

Mooi verhaal. Klein gehouden en daardoor groot. Zwalpend. Nooit van gehoord. Maar een prachtig woord.
Knap geschreven. Graag gelezen. ?

Esther Suzanna · 17 augustus 2016 op 18:37

Wat mooi! 🙂 Wat een leuk taalgebruik. Of zijn het toch foutjes soms? Soms wilde ik dat ik een Belg was 😉

Meralixe · 17 augustus 2016 op 19:59

Ik ben er niet zeker van dat Holanders weten hoe je bot kijkt.
Ik mis ook een beetje boodschap of verhaal of wat dan ook in je schrijven.

Ferrara · 17 augustus 2016 op 22:02

Redder in de nood tot de voordeur, maar dan … mooi verhaald.

Geef een reactie

Avatar plaatshouder