We praten over de jaren zeventig, vorige eeuw. Een vader zit onrustig in een leren fauteuil op het strand van een eiland, ergens onder in Italië. Hij piekert en kijkt af en toe omhoog naar een azuurblauwe lucht. Wat moet hij doen? Wat kan hij doen? Oh god. Vader denkt ‘oh god’. Niet wetend dat deze zinsnede binnen zeer korte tijd over hemzelf heen gegooid zal worden, staat hij op en heft zijn handen ten hemel. Nee, eerst strijkt hij met dezelfde handen wanhopig door zijn vette haar, dat stijf staat van de brillantine. Dom, meteen spijt, dat hij dat deed. Nu plakken ook nog eens zijn handen. De handen dus ten hemel met allemaal kleine onweervliegjes die aan zijn handen plakken. ‘Oh god! Wat heb ik gedaan?’

De godvader, want zo wordt hij in kleine enge eigen kring genoemd, moet nog bekomen van zijn laatste actie. En ja, ook daarvan heeft hij spijt. Zijn eigenste broer, granietleverancier van het eerste uur heeft hij nog geen vierentwintig uur geleden in beton gegoten. Letterlijk. Met zijn eigen handen. Ook al is het familie, het moest. Zijn eigenste broer leverde gewoonweg niet voldoende graniet. Het zij zo. Zand erover. Maar wat nu?

Met de handen in het haar zitten helpt niet. Dus besluit hij hulp in te roepen. De godvader roept hulp in bij vader god. In zijn favoriete kerk gaat hij te biecht. Knielt en doet vijf weesgegroetjes. Dat moet genoeg zijn. En dan vraagt hij raad. Ho, ho, roept de pastoor, ik ben geen raadsheer, ik hoor alleen toe. Voor raad moet u een straat verderop zijn. Goedendag. Shit. Vijf weesgegroetjes helpen dus ook al niet meer.

De raadsheer een straat verder geeft niet thuis. De pastoor heeft hem gebeld en gewaarschuwd voor een verwarde man die denkt dat hij godvader is. Dat deed een belletje rinkelen. Hij weet wie er voor de deur staat. Niet open doen dus. Voor je het weet sta je in beton.

Categorieën: Diversen

Mien

Bewonder luidruchtig en verwonder in stilte

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder