Op het allerlaatste moment komt ze de trein binnen gestoven. Het felle hennarood van haar kapsel reduceert de rest van de coupé in één klap tot zwart-wit foto. Ze schuift langs een berg tassen en ploft neer naast het raam. Meteen gooit ze haar hoofd ver naar voren en begint uit alle macht met de vingers van beide handen snel over haar hoofd te strijken en haar haren bepaalde kanten op te wrijven. Tussendoor komt ze omhoog en kijkt heel even in de spiegel van het raam.
Om daarna meteen weer voorover te buigen richting haar knieën. Dat herhaalt zich een aantal malen. Er lijkt een woeste dwang achter te zitten. Hoewel ik het gênant vind openlijk te kijken, worden mijn ogen er naartoe gezogen. Er is iets vreemds aan. Misschien is ze wel onder invloed van drugs. Het haar is heel asymmetrisch geknipt, zie ik, als ze weer even de normale stand aanneemt: ultrakort aan de ene kant en halflang aan de andere kant.
Na een minuut of tien is het blijkbaar klaar. Kijkend in de spiegeling van het raam drukt ze nog wat spuug op de lokjes bij haar oor aan de korte kant.
Dan pakt ze haar smartphone uit haar jaszak en toetst een nummer in.
……
‘U had mij gebeld?’
……
‘Ja, klopt, een tijdje geleden al’
……
‘Echt? Oh, echt super!’
……
‘Even in mijn planning kijken. Wacht u even? Ja, ben ik weer. Ja, hoor dat gaat zeker lukken. Tot dinsdag’.
Haar bleke gezichtje krijgt op slag een verzaligde uitdrukking. Stralende ogen en een brede glimlach, gericht op niemand in het bijzonder. Ze glimlacht meer bij zichzelf naar binnen.
‘Super ‘, herhaalt ze hardop, ‘super’, ’ krijg ik zomaar een baan aangeboden en vandaag moet ik óók al naar een sollicitatie toe, dit jaar kan echt niet meer kapot’.
Ze kijkt nu de oudere man schuin tegenover haar aan.
‘Leuk voor je’, zegt die tam, maar niet onvriendelijk en kijkt meteen weer uit het raam.
Ik zit wat verder weg en weet haar blik niet te vangen. Een gelukzalige glimlach blijft hangen tussen haar driedubbel gepiercte oren.
Bij het volgende station stap ik vlak achter haar het perron op .
‘Wat leuk die baan’, kan ik niet nalaten te zeggen. ’Jij ligt goed in de markt, zeg’.
‘Dat is weleens heel anders geweest,’ zegt ze, daarom voelt het nu zo goed’.
We lopen samen richting roltrap.
‘Wat voor banen zijn het?’, vraag ik.
‘Het ene is een modezaakje, het andere een sieradenwinkel’.
‘Je bent er echt het type voor’, zeg ik.
‘Ik vind het heel leuk om mensen te adviseren’, zegt ze met een ernstig gezicht.
‘Mag ik jou een raad geven voor je sollicitatie?
‘Oh, ja, natuurlijk’.
We zijn aan het eind van de roltrap.
‘Je kapsel straks op de gang bijwerken hoor, niet binnen’.
Ze kijkt mij even aan en ik voel me stokoud.
‘Ach, lacht ze dan nonchalant, ik ken degene toch al, die het gesprek doet’.
Daarna zwaait ze glimlachend ten afscheid en loopt weg. Ik zie haar snel kleiner worden.
In de mensenmassa licht ze op als een lampion.

9 reacties
troubadour · 17 februari 2014 op 08:35
Een sterk begin en een mooie laatste zin en alles aangenaam daar tussenin. “Ik zit wat verder weg en weet haar blik niet te vangen. Een gelukzalige glimlach blijft hangen tussen haar driedubbel gepiercte oren.” Wat lijkt het toch simpel..
Meralixe · 17 februari 2014 op 10:40
Bijzonder mooi! :yes:
Harrie · 17 februari 2014 op 11:32
Harentemmer en banentemmer. Leuk. :yes:
Mien · 17 februari 2014 op 14:05
Mooie beschouwing.
SIMBA · 17 februari 2014 op 16:41
:yes:
trawant · 17 februari 2014 op 23:08
Een heel zorgvuldig beschreven scène, geschetst met een fijne pen waardoor je me meeneemt in de coupe en naar het meisje.
Helder beeld geen woord teveel. Knap!
Nachtzuster · 17 februari 2014 op 23:37
:yes: Laat ik ook eens origineel zijn. Goed beschreven situatie, Pally. Ik zat naast je in de trein en liep vlak achter je tijdens het gesprek. 😀
pally · 18 februari 2014 op 12:40
Goh, dat ik je niet gezien heb , Nachtzuster… 😉
pally · 21 februari 2014 op 17:01
Bedankt voor de reacties!