Met mijn armen vol met bloemen, loop ik naar het achterlijke grote hek, wat na vieren altijd op slot zit. Op het bord staat dat bezoek welkom is van ’s morgens tien tot ’s middags vier uur. Een soort van bezoekuur, maar dan anders, bedenk ik me. Lang bezoekuur en hier liggen de mensen niet voor korte duur. Minimaal 10 jaar. De zon schijnt, het is waterkoud. Ik loop het hek door en ga recht door hier en daar zie ik al een steen liggen met een naam erop. Het lijken wel verdwaalde stenen. Ik lees de namen op de stenen en kijk naar de geboorte- en sterfdag en bereken ondertussen de leeftijd.

Verderop zie ik een man op zijn hurken zitten, zijn mond beweegt, maar ik ben te ver weg om te horen wat tie zegt. Ik voel het bijna als inbreuk op zijn privacy dat ik langs hem moet lopen. In een opwelling besluit ik om een pad eerder in te slaan, zodat ik de man niet stoor. Het is een hele beslissing het is namelijk een vreselijk groot park en ik ben er al een keer verdwaald.

Ik loop door, langs honderden stenen met naam, bij sommige staan bloemen, sommigen zijn verwaarloosd. Dit pad heb ik nog niet eerder gelopen, zie onbekende namen. Dan zie ik opeens een bekende naam, Pletcher, verrek, dat zal toch niet DE pater Plechter zijn van de Havo??? Die was toch nog niet zo oud? Ik blijf staan, zijn initialen kloppen. Het is hem. Ik denk terug aan de tijd dat hij mij “ziek” naar huis bracht, god wat heb ik die man bedonderd. Hij geloofde me altijd. Beetje beduusd sta ik daar te staan, tot ik een bloem uit mijn bos trek en op zijn graf leg en iets onzinnigs mompel als “sorry”.

Als ik op sta valt mijn oog op een steen met een knuffelbeer met een hartje. Ik word er heen getrokken. Onmogelijk, zij kan hier niet liggen. Ze zat vol levenskracht, vol vuur. Op de steen staat niets anders dan haar naam. In mijn herinneringen zie ik ons weer vechten, we trokken de haren uit elkaars hoofd, het is eigenlijk een wonder dat we beide niet kaal zijn. Ik ga op de grond zitten en kijk als verdoofd naar haar steen. Ze is er echt niet meer. Het lijkt of mijn herinneringen opeens minder leuk zijn. Alsof we er niet alles uit de tijd hebben gehaald. Ik pak het bosje gele roosjes en leg het naast het beertje neer terwijl tranen over mijn wangen lopen.

Van mijn stuk gebracht vervolg ik het pad, of achteraf moet ik misschien zeggen mijn pad. Ik dwing mezelf me bezig te houden met mijn einddoel en loop door. Het waterige zonnetje schijnt nog steeds, af en toe hoor ik wat geritsel van een konijn dat door de bosjes heen huppelt, als ik weer een naam zie die mij bekend voor komt. Verschrikt kijk ik naar zijn geboortedatum en probeer me te herinneren of het klopt. Ja, augustus was hij jarig een dag of 4 voor mij. Op de steen staat “Rust Zacht” Fuck You! Rusten?? Waarom zou je moeten rusten als je nog geen 40 bent? Ik zak door mijn knieen en ga een gesprek aan, wat is er gebeurd, wat mankeerde je? In mijn fantasie vertelt hij het me. Een laatste bloem, een laatste handkus.

Ik heb er genoeg van en versnel mijn pas, ik wil geen bekende meer zien hier. Met meer geluk dan wijsheid kom ik uiteindelijk in het vak waar ik hoor te zijn. Dit is bekend terrein. Links ligt mijn vader, rechts mijn moeder en tussen hun in de kinderen waar zij op passen. Met een zucht, hurk ik neer en vertel ze wie ik ben tegengekomen onderweg en dat ik ben geschrokken. Geschrokken dat het kerkhof zich gaat vullen met mijn generatie.
Mijn armen kunnen niet nog meer bloemen dragen.

Categorieën: Maatschappij

11 reacties

Chantalle · 14 januari 2007 op 14:41

Zo overweldigend mooi. Je laatste zin bezorgde me kippenvel.

Liefs, Chantalle

WritersBlocq · 14 januari 2007 op 16:16

[quote]Van mijn stuk gebracht vervolg ik het pad, of achteraf moet ik misschien zeggen mijn pad.[/quote]Ja, inderdaad… brrr… en toch ook weer mooi. Fijn voor hun dat je even bij ze hebt stilgestaan en hen weer hebt laten opleven.

pally · 14 januari 2007 op 16:23

Mooi geschreven overpeinzende en confronterende column met een sterk slot, Bitchy

een klein puntje : in de 3e alinea:
[quote]..ben te ver weg om te horen wat-ie zegt[/quote]
‘wat-ie’ vind ik hier te populair, past mijns inziens meer in een grappig stukje.

groet van Pally

DriekOplopers · 14 januari 2007 op 17:19

Het was al gezegd. Inderdaad erg mooi gedaan!

Driek

pepe · 14 januari 2007 op 18:49

Deze valt in de categorie rillingen-over-mijn-rug columns, en na de rillingen is er alleen de stilte.

Li · 14 januari 2007 op 19:16

Kippenvel. Centimeters dik. Ik voel helemaal met je mee want het is zo ontzettend herkenbaar.

Li

Eddy Kielema · 14 januari 2007 op 20:38

Heftige column hoor!

SIMBA · 15 januari 2007 op 08:29

Tsja…wat moet ik nu nog toevoegen, mooi opgeschreven. En inderdaad een rare gewaarwording (is dit nederlands?) dat je eigen generatie het kerkhof begint te vullen…brrrr

Ma3anne · 15 januari 2007 op 09:50

Ja, dit zijn confrontaties die erin hakken. Je komt altijd bloemen tekort op zo’n kerkhof.

Goed beschreven en herkenbaar.

arta · 15 januari 2007 op 11:05

Erg mooi geschreven!
De titel vind ik ook móói en passend!

KawaSutra · 17 januari 2007 op 17:35

Mooi en ontroerend. Je hebt uitstekend verwoord wat er door je heen kan gaan bij de confrontatie van een bezoek aan een kerkhof.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder