Hoe ben ik hier gekomen? Ik was onderweg samen met mijn heer. We reden zuidwaarts op kamelen, richting Khartoum. Plotseling werden we overvallen door een zandstorm. Angstaanjagend stil steeg het omberkleurige gebergte op aan de westelijke horizon.

‘Sidi!’

‘Sidi!’

Mijn roepen raakte verstikt in de inktzwarte duisternis. Achter zijn rug gezeten klemde ik mijn dijen om zijn machtig bekken, bevreesd als ik was om weg te glijden in de rode waas van de haboeb.

‘Niet bang zijn, ma chère!’

Ik ben in het paleis van een sultan. ‘Murad’ heet hij, zegt de sultana. Ze wijst naar zichzelf en noemt zich ‘Hagar.’ Daarna brengt ze me naar het vrouwenverblijf zoals haar heer bevolen heeft.

Ik volg haar door lange gangen. Haar kleine voeten gestoken in zacht leren muilen schommelt ze voor mij uit. Fier als het achterste van een Arabier in draf dansen haar billen onder het turkooizen gewaad.

In de harem dringen vrouwen en kinderen nieuwsgierig om mij heen. Hun bruine ogen glinsteren in de schemering van het licht: kamelen ogen. Aarzelend legt een kind een handje op mijn arm. Andere volgen. Handen glijden over mijn lichaam. Strelen mijn haar.

Vermoeid wankel ik op mijn benen. Hagar roept op schreeuwerige toon. Kinderen vluchten. Vrouwen wijken uiteen. Ze nemen plaats op de lage sofa’s tegen de wand. Vleien neer op kostbare tapijten. Schikken zich tussen kleurige kussens.

Hagar wijst naar drie vrouwen: ‘Aisha, Sahar, Fatima.’ Ze voeren me mee naar de Hammam. Wassen me met lauw, naar mirre ruikend water. Geduldig scheppen hun handen. Spoelen het zand uit mijn haar. Dompelen mijn handen. Mijn voeten. Drogen mijn lichaam met verwarmde doeken. Verrukt klinken hun kreten bij het kammen van mijn blonde haar.

Mijn gedachten vervliegen samen met de geur van balsem die vlinderzacht in mijn huid wordt gemasseerd. Tijd verdwijnt in eeuwigheid.

Gekleed in een kort hemdje, een harembroek en bovenkleed – alles maagdelijk wit en met gouddraad bestikt – brengt Hagar mij naar mijn slaapvertrek. Duizelig val ik neer op de zachte onderlaag. Ik zie nog net de kleine bruine hand, die met een gracieus gebaar het gordijn voor de ingang toeschuift.

‘Niet bang zijn, ma chère!’

Snel als de wind draven paarden door mijn slaap. Geluid van mannenlaarzen. Geschreeuw. Gebons en krakend hout. Kort is de stilte dan scheurt een ijselijke kreet de nacht aan stukken.

Ik schrik wakker. Hij zal me verspelen, mijn heer. Ik ben hem niet waardig. Een vrouw zonder verleden. Een slavin gekocht op de markt van Widdin. Het was koud die ochtend in februari. Plotseling zag ik hem staan tussen de biedende menigte. Breedgeschouderd. Goed gekleed. Slechts een fractie van een seconde ontmoette onze ogen elkaar. Maar het was lang genoeg. Hij bood hoog. Niemand durfde eroverheen. Sindsdien ga ik waar hij gaat. Constantinopel, Cairo… Khartoum.

De sultan heeft ons gastvrij ontvangen: ‘Het is de wil van Allah,’ zegt hij: ‘Die heeft u naar mijn huis gevoerd.’ Hij zit met zijn benen wijd op de Perzische bekleding van een sofa. De warme kleuren zijn in schril contrast met de azuurblauwe tegelwand achter hem en de witte stof van zijn broek die in ruime plooien om hem heen valt. Hij wijst naar het spel dat zijn neef Selim, een kalief uit Baghdad aan zijn voeten heeft neergezet. Zijn bedienden schenken Turkse koffie en presenteren uit schalen met honingzoete vruchten.

‘Wilt u mij de eer aandoen?’

Dit beeld zal niet snel uit mijn herinnering verdwijnen: de markante trekken grotendeels verhuld in de Bedoeïenen doek. Evenals de vlammende begeerte in zijn koolzwarte ogen als hij mij voor het eerst gewaar wordt. Zijn moustache met de van opwinding trillende punten aan het uiteinde van de krul.

In het land van de Halve Maan zijn blanke vrouwen erg gewild. Mijn heer zal een hoge prijs voor mij kunnen krijgen. Genoeg om de uitrusting te bekostigen die hij nodig heeft voor zijn zoektocht naar de bronnen van de Nijl.

‘Zeker heer, ik ben zeer vereerd en zal graag met u backgammon spelen,’ antwoordt mijn heer. Hij heeft plaats genomen naast Murad op de sofa en lurkt tevreden aan zijn waterpijp. Het aroma van hasjiesj en tabak benevelt lichtelijk zijn geest, maar ik weet; hij is een goed speler.

De eerste dobbelsteen is al gegooid.

Hagar komt binnen. De uitgestoken vinger van mijn heer, wijzend als een gericht naar de stenen op het bord is het laatste wat ik zie.

‘Niet bang zijn, ma chère amie!’

Hij rukt aan de teugels. De kameel gehoorzaamt zoals iedereen altijd naar hem luistert. Het dier knielt neer in de woestijn. Ik zie niets maar voel de druk van zijn handen om mijn middel als hij mij omlaag tilt.

Verscholen tussen de poten van de kameel en in de armen van mijn heer stormt de haboeb over mij heen. Het zand is overal. Het dringt in mijn ogen. Mijn neus. Mond. Tussen mijn kleren. Borsten. Benen.

Of is het mijn heer?

Ooooh…

Hoe lang duurt de Arabische nacht?

Categorieën: Thema column

5 reacties

Libelle · 24 augustus 2013 op 16:09

Wat de boer niet kent…Die verwende sultans, met hun rare regeltjes en hun pseudo fatsoen. Het is dat ik erotische ontknopingen verwachtte, anders was is afgehaakt.

Nachtzuster · 25 augustus 2013 op 22:17

Ik gok zomaar op Libelle. Vanwege de klassieke sfeer. En ook omdat hij een paar maal verkeerd ingelogd stond met reageren. 😎

Mien · 26 augustus 2013 op 12:38

Qua naamgeving moest ik even denken aan indianen, vikingers en arabieren die het paadje kwijt zijn. Totdat ik over Angelique begon te dromen. Leuke invulling van het thema. Ik denk dat dit van Pierken komt.

Sagita · 27 augustus 2013 op 01:53

Pfff…. moeilijk deze en het is al laat. Pierken nee! Ik denk er nog even over na!

Sagita · 1 september 2013 op 13:53

Dit verhaal schreef ik als opdracht met als basis een fotokaart van een Arabisch tafereel. De ingrediënten ontleende ik aan het boek ‘Vrouwen op avontuur’ van Wolf Kielich (1993) met in bijzonder het verhaal ‘Heldin van de Nijl’. De ware geschiedenis van Florence Baker die in 1859 op 17 jarige leeftijd als slavin gekocht werd door de steenrijke 38 jarige Engelse weduwnaar Sam Baker.
groet Sa!

Geef een reactie

Avatar plaatshouder