Ik sta in de kamer. De lampen heb ik, vanwege het schemeren, van stroom voorzien en zijn aan het schijnen geslagen. De televisie, die mij normaal gesproken rond dit tijdstip mijn dagelijkse dosis pulp injecteert, heeft er het zwijgen toe moeten doen. Een vluchtige blik naar buiten wekt de valse schijn, dat ik iets illegaals van plan ben te gaan doen; de manier echter waarop mijn hoofd op de meest vriendelijke manier terug veert, geeft weer dat mijn stemming de status van opperbest heeft aangenomen. Nu willen de meest nieuwsgierigen onder u natuurlijk gelijk weten wat mij dan wel zo gunstig stemt; is het niet? Ik zal u dat vertellen. Ik ga plaatjes draaien. “Plaaaaatjes ?????”: hoor ik u nu allen met enige schrik denken. “Wat zijn dat nou weer: plaatjes ???” Weet u wat ik doe, ik laat u wel even meekijken.

Mijn handen steunen lichtjes op mijn stereotoren en scharnieren het bovenste gedeelte open. Daaronder verschijnt een soortement van rond rubberen matje, liggend op een bedje van draaitafel. Een parmantig ijzeren piemeltje steekt trots met zijn koppie precies door het midden van het matje heen. Een boemerangachtig hefboompje dat zich rechts van het eerder genoemde tafereeltje bevindt, herbergt een verradelijk scherp naaldje. Tijdens het bekijken van dit kleine schilderijtje, hebben mijn handen reeds een bontgekleurde kartonnen hoes van de grond weten te plukken. Op de hoes staat een tekening van een op een stoel zittende zwarte meneer met wit haar, een rood strikje en een paars pak; hij zit met gesloten ogen, gitaar te spelen. De zwarte letters vormen de titel: ”LEADBELLY”, met als ondertitel: “Huddie Ledbetter’s Best… His Guitar –His Voice – His Piano”. Binnenin zit nog een cadeautje. Een platte papieren zak maakt melding van het feit dat er meer te krijgen is dan dat wat ik nu in mijn handen heb. De namen van Astrud Gilberto, Frank Sinatra, Sonny Boy Williamson II, Nick Drake en Bessie Smith lees ik wel, maar ik neem ze nauwelijks in me op want ik weet dat binnenin deze papieren reclamezuil het echte werk schuil gaat. Voorzichtig kantel ik het hele handeltje zodanig dat vanuit de opening van het omhulsel, het zwarte goud mijn hand toucheert. Ik kom oog in oog te staan met 24 karaats vinyl en tussen mijn twee dolgelukkige handen in, onderwerp ik het uit hoezen gegraven schatje aan een lichtweerkaatsingsonderzoek. De plaat heeft tot nu toe een heftig leven achter de rug gehad, aangezien de lichtzwarte littekens in kuddes bij elkaar gedreven over het gehele oppervlakte te aanschouwen zijn. Één diepere wond steekt schril af tegen de achtergrond, wat mijn beoordelingsvermogen als “kras” bestempelt. Ondanks zijn verre van perfecte staat, leg ik de donkere discus toch op uiterst voorzichtige wijze (Iets wat beschadigd is, is niet per definitie uit op nog meer beschadigingen), op de plaats waar hij het meest tot zijn recht komt. Even stokt het proces aangezien ik met een borsteltje een enkel stofje tot afdruipen beweeg. Tevreden glanst mijn platte vinylen vriendje me toe alsof hij me wil bedanken voor de zojuist ondergane poetsbeurt. Met chirurgische precisie land ik met het mini hijskraantje op de buitenste rand van de langspeelplaat en meteen geven de boxen door middel van een levendig ruisen het teken dat de operatie een groot succes is. Voorzichtig scharnier ik de klep weer in zijn oorspronkelijke stand en zak begeleid door de eerste akkoorden van “Goodnight, Irene” op de bank en steek een peuk op.

Al luisterend, whiskey nippend, mee-mmm-end en sigaretten rokend onderwerp ik de buitenhoes aan een second opinon. Dit maal is de achterkant mijn werkterrein. Huddie blijkt te zijn geboren in 1885 en te zijn overleden in 1949. In de daartussen liggende periode vulde hij zijn leven met muziek maken en in de gevangenis zitten. Aangezien beide bezigheden, aanmerkelijk grote en tijdrovende hobby’s van hem waren, werden deze dan ook dikwijls gecombineerd. Bij veel van zijn werk is het holle gevangenisgeluid dan ook zeer goed te horen. Verder vertelt het vierkante bijbeltje dat meneer Leadbetter het liefst zijn kunsten vertoonden op een 12-snarige gitaar maar ook niet vies was van een riedel op de piano.

Uren achtereen draai ik de ene plaat na de andere en alle grote artiesten komen dan ouderwets langs op vinylvisite. Bob Dylan, The Doors, Pink Floyd, noem ze maar op. Allen klinken beter, muzikaler, ritmischer, eerlijker, overtuigender en veel dichter bij dan op een CD. Daarnaast ruiken LP’s lekkerder. Loop voor de gein de Free Record(?) Shop in en haal daar je neus eens op; als je geluk hebt ruik je iemand die geen deodorant heeft gebruikt, maar CD’s ruik je niet. Loop derhalve de plaatboef binnen en de geur van eeuwen en eeuwen aan melancholiek boren zich als dikke paarse rookpluimen je neus binnen. Je ruikt de tranen van het liefdesverdriet, de woede om een oorlog, de spanning van de eerste joint en de bejaardheid van je opoe. Mensen die LP’s bij de vuilnis neerzetten zijn minder toerekeningsvatbaar en een gevaar voor de samenleving. Ware de LP een monument, ik was monumentenzorg, ware hij een straathond, ik was het asiel en zou u onverhoopt maanden lang op vakantie moeten naar het andere eind van de wereld, dan wil ik wel op uw LP’s passen, ik durf alleen niet te beloven dat ze daarna nog aan u kunnen wennen.

Specta Scriber


0 reacties

Geef een antwoord