Vreemde ogen turen mij. Waar ben ik nu weer aanbeland? Een penetrante lucht dringt door in mijn neus. Een weeë combinatie van fruit en urine. Meer kan ik er niet van maken. Het nitriet slaat nu ook op mijn ogen. Nog net kan ik een flinke niesbui onderdrukken als ik plots luid getrompetter hoor. Het trompetgeschal doet me denken aan de olifanten uit een ouwe Tarzanfilm. Het trompetgeschal houdt aan en klinkt steeds luider. Het enige dat nog ontbreekt, is donker tromgeroffel van een exotische bosnegerstam. Angstvallig houd ik de bosschages in de gaten. Vanachter de rododendrons kan ieder moment een wild dier naar voren springen. Even is het stil. Stilte voor de storm.

Ik bevind me in een bizar park vol met kooien. De donkerte van de nacht zorgt ervoor dat ik niet precies kan achterhalen welk gezicht er bij de vreemde ogen horen. De vingers die de tralies van de kooi omklemmen doen me denken aan mensenhanden. Ze zijn te bleek en te mager voor apenvingers. Met een gekromde inhalige wijsvinger word ik naar de kooi gelokt. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst en langzaam loop ik richting de dwingende ogen. Hypnotiserend slurpen de ogen mij op. Een zacht pruttelend geluid brengt mij even van de wijs. Er borrelt iets in de kooi waarvan ik niet wil weten wat het is. Plots herken ik de weeë lucht die ik zojuist niet helemaal kon plaatsen. Het ruikt naar bedorven turbanabananen. Misselijkmakend.

Aan de contouren zie ik dat een enorm beest achter de priemende ogen schuilgaat. Het lijf staat niet in verhouding met de magere bleke vingertjes. Ik gok erop dat het toch een aap is. Het ziet er in ieder geval harig uit. Ik heb op heel wat planeten diverse dierentuinen bezocht maar die schepsel kan ik toch moeilijk plaatsen. Geen idee of het zich ook in een natuurlijke habitat bevindt. Ik besluit op onderzoek uit te gaan. Als creaturoloog weet ik als geen ander hoe ik vreemde schepsels op hun gemak stel. Het is gewoon een kwestie van de juiste vraag stellen. Ik besluit meteen met de deur in de kooi te vallen.
“Hé Tinus, wat zitte gij mij aan te loeren, waar bende gij er ene van? Mijn naam is dokter Wie?”

Ik blijk een gevoelige snaar geraakt te hebben. Het geborrel houd op en ik krijg gelijk een passend antwoord terug van het harige schepsel.
“Ik ben van de pindaduifclub, altijd in voor een feest of fuif en mijn naam is Teewis.”
Die club ken ik niet en ik besluit verder te vragen. Tot nu toe zijn er geen kenmerken van agressief gedrag te bespeuren en het vreemde creatuur schijnt wel zin in een babbeltje te hebben.
“Aha, jij bent dus van de pindaduifclub, waar stamt die vanaf?”
Het creatuur begint hard te lachen en slaat met twee vuisten op zijn harige borst.
“Wat een stomme vraag, van de pindaduiven natuurlijk. Wij zijn ooit verzonnen door een snackfabrikant in het prefabflatscreentijdperk. De fabrikant ging failliet maar wij hebben een deal gesloten met de curator. Die zag potentie in ons en voorzag dat wij op eigen benen konden staan. Daarna zijn wij op moeder aarde uitgegroeid tot vette pindaduiven.”

Dat klinkt interessant. Op geen enkele planeet ben ik pindaduiven tegengekomen. Ik besluit mijn onderzoek voort te zetten.
“Vertel eens Teewis, waarom zit jij nu in een kooi?”
“Dat is een lang verhaal. Maar ik zal het kort voor je houden. Wat wij van de snackfabrikant hebben meegekregen is dat wij erg goed kunnen feesten. Tijdens de vele feestjes dreigden wij echter volledig opgepeuzeld te worden. Aldus besloten we nieuwe ingrediënten aan ons receptuur toe te voegen. Die maakten ons zo lekker en verslavend dat de aardbewoners er gewoonweg misselijk van werden. Helaas hebben we ons receptuur iets te ver doorontwikkeld waardoor we enorm in omvang toenamen. Dat maakte ons niet langer goed verteerbaar. Er zijn nu nog maar een paar pindaduiven over. Omdat de aardbewoners ons genetisch niet konden ontcijferen hebben ze ons maar ingedeeld bij de wilde dieren. Wij worden nu dus net als de leeuwen en tijgers tentoongesteld in kooien met tralies.”

Wat een sneu verhaal. Ik krijg bijna medelijden. Ik zie in de priemende oogjes van Teewis twee tranen blinken. Met zijn bleke magere vingertjes grist Teewis snel een halfvergane turbanabananenschil van de grond en droogt er zijn ogen mee. Ook begint hij weer te borrelen. Snel besluit ik een ander onderwerp aan te snijden. “Wat is dat voor een trompetgeschal dat zojuist zo hard klonk? Weet jij daar meer van?”
“O dat stelt niets voor, dat zijn Mingalar en Radza die een nummertje maken. Het zijn twee enorme grijze dikhuiden van de kooi hiernaast. Zij sluiten hun liefdesdaad altijd af onder luid getoeter. Niks om je ongerust over te maken. Het gaat alleen soms mis als Jumbo in een foute mood verkeerd en in de buurt is. Die is stik jaloers op Radza. Jumbo is al heel lang verliefd op Mingalar. Ik houd mijn hart soms vast. Dat gaat echt nog een keer fout aflopen tussen Jumbo en Radza. Gelukkig is Radza slim en vrijt ie alleen als het donker is. Jumbo is namelijk nachtblind.”

Ik zie dat de Teewis niet langer huilt en gerustgesteld is. Het is al laat en ik houd het voor gezien. Als troost laat ik voor Teewis nog wat fruit achter dat ik over had van mijn lunch. Ik kruip snel weer terug in mijn telefooncel en ga op zoek naar een goede rustplaats. De volgende dag lees ik in de krant dat er een olifant de gracht in is geduwd. Tand gebroken, hoofd en knie kapot. De oorzaak van de duwpartij wordt nog verder onderzocht. Maar ik, ik weet wel beter. Liefde kent geen grenzen.


Harrie

Tijdreiziger

7 reacties

Libelle · 2 november 2011 op 09:17

Ootmoedig bijkans wil ik getuigen van mijn bewondering, zo snel een forensisch onderzoek te hebben geklaard. Heeft Jumbo het staccato in Radza’s trompetgeschal herkent? Dat heb ik nou met den Toots. Als u kon tekenen nou,nou! Weg met Kuifje…

pally · 2 november 2011 op 10:51

Absoluut zeer fantasierijk en ook geestig geschreven, Harrie, maar behalve het einde kan ik het verhaal niet echt goed volgen.
Maar dat kan best aan mij liggen.

Groet van Pally 🙁

Mien · 2 november 2011 op 12:21

Een beetje lang van stof, maar wel verrassend aandoenlijk Harrie.

Mien Bonito

LouisP · 2 november 2011 op 13:07

Ik vind ’t ’n goed stuk!

Ferrara · 2 november 2011 op 13:28

Mijn moeder zei vroeger:
“Dyuvis ook als er geen fuif is.”

Vind het verhaal, een echte Harrie. Fantasierijk en een beetje verwarrend.

Harrie · 3 november 2011 op 12:04

Bednakt voor jullie reacties.

Boukje · 3 november 2011 op 23:36

Ik heb hem een paar keer moeten lezen. Het is allemaal een beetje vaag. Als er een boodschap of een diepere bedoeling in zit dan vat ik die niet… :eh:

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder