We kwamen thuis. We hadden Lekker gegeten. We zetten de fiets tegen de gevel en zagen de poezen vertrouwd op een rij in de gang. Tot zover niets aan de hand. Ware het niet dat de voordeur wagenwijd open stond. We keken elkaar aan met een blik van ongeloof. Het was tien uur. Wij waren om half zeven weg gegaan en de deur stond open. Niet op een kier maar echt uitnodigend open. Inbrekers dat kon niet anders. We snelden naar binnen, zagen de laptop op tafel, het nieuwe bankpas met pincode op de schoorsteen, de tv aan de muur, de stereo in de kast en mobiel op de bank. Mijn partner barstte in lachen uit. Snel de trap op. Boven constateerde ik nog een tv, boeken op de plank en een keurig opgemaakt bed. Het leek wel als of er niemand in huis was geweest. Voor de zekerheid ging ik verder op zoek. In de kasten en onder bedden. Ik kon niemand vinden. Ontdaan keek ik haar aan. Zij had het niet meer. Thais eten en rode wijn, je werd er erg vrolijk van. In een sfeer die zich wat mij betreft van spanning en hevige verontrusting langzaam maar zeker richting ontspanning bewoog, begonnen we aan de reconstructie en uiteraard aan de schuldvraag. Wie had de deur open laten staan ? Het belang van de schuldvraag was niet echt groot. Er was immers geen schade. De schuldvraagkwestie hadden we routineus af kunnen handelen. Aan een reconstructie kwamen we niet toe. Lachend wees ze in mijn richting. Ik was het laatste binnen geweest dus… oké. Ik was niet in de stemming voor tegenwerpingen. Voor haar werd het er alleen maar vrolijker op. Al met al waren we opgelucht.
We zochten het keurig opgemaakte bed op. Voor dat ik goed en wel lag vroeg ik me af wie dat bed zo keurig had opgemaakt. Zij sliep al. De Thai had mij ook zodanig uitgeput dat ik zonder antwoord op het opgemaakte bed ook snel in slaap viel. Na een uur was ik al weer wakker. Onrustig was ik. Er moest toch iets zijn. Ik ging er uit en checkte de spullen nog een keer. Pasje, portemonnee, tv, cd’s… van arren moede controleerde ik ook de spullen die ik de hele avond bij me had gehad. Ik kon het niet bevatten.
Ik kon me niet voorstellen dat wij in de grote polderstad de deur zomaar open konden laten staan. Bijzonder toch. Dat ze de bel van mijn fiets pikken dat kon ik begrijpen. Dat ze de fiets jatten die ik niet op slot zet beschouw ik als vanzelfsprekendheid. Het is de wereld op zijn kop. Ik op mijn kop. Ik keek naar haar. Zij sliep lekker door.
Alle vertrouwen.

Categorieën: Algemeen

7 reacties

arta · 24 juni 2009 op 13:08

Op de één of andere manier vind ik deze wat minder dan de vorige polderverhalen. Wat slordiger en ook mis ik die bepaalde flow, waarmee je de vorige stukjes geschreven hebt…
🙂

SIMBA · 24 juni 2009 op 13:17

Deze polder-perikelen boeiden me niet zo, maar ik ben wel benieuwd wie dat bed zo keurig heeft opgemaakt 😀

Mien · 24 juni 2009 op 13:38

Van niets iets maken.
Knap in zijn eenvoud.
Mooi beschreven.
In een lekker ritme.
Een beetje yin en yang.
Kortom erg goed.

Mien Polderthoughts

Anne · 24 juni 2009 op 14:52

Ik vind hem weer mooi. Inderdaad, van niets iets maken, en daarmee eigenlijk iets heel wat kernachtigers blootleggen dan wanneer grote onderwerpen vet en breed worden uitgemeten. Dat unheimische hier….heel mooi. Vertrouwen tegenover twijfel, vergeethachtigheid tegen uitstekende herinnering; eigenlijk gaat het over de ongrijpbaarheid van onze leef-tijd. Vind ik.

LouisP · 24 juni 2009 op 20:33

F.
anders, maar wel leuk!
gr.
L.

lisa-marie · 24 juni 2009 op 22:20

Wat moet jij je rot geschrokken zijn denk ik met een glimlach van herkenbaarheid 😀

De titel vind ik goed gekozen en de flow anders dan je andere polder verhalen,
die waren meeslepender maar zeker met veel plezier gelezen.

Mup · 25 juni 2009 op 10:05

Goed neergezet, hoe details belangrijk worden in dit soort situaties, incl. de schuldvraag en de vraag van het opgemaakte bed, ben je er achter gekomen?

Groet Mup.

Geef een antwoord