Weer zit ik in de taxi naar het verzorgingstehuis. Nadat ik gisteren ben weggelopen bij mijn vader, heb ik nauwelijks rust gehad. Ik had moeite met in slaap vallen en vanmorgen werd ik om half vijf wakker gekrijst door een stel kraaien. Daarna heb ik alleen maar liggen draaien en piekeren. Uiteindelijk ben ik om zes uur opgestaan om koffie te drinken.
Ik staar naar buiten, maar zie niet veel meer dan een rij gevels, de details ontgaan me. Gedachteloos wrijf ik over mijn onderarm. De huid is blauw geworden en doet pijn. Nooit eerder heeft hij me op deze manier fysiek pijn gedaan. Pas als de chauffeur meldt dat we er zijn, schrik ik op.
‘Dank je,’ zeg ik kortaf, voor ik uitstap en naar de hoofdingang loop. ‘Nou niet meer aarzelen, trut.’

Een paar minuten later aarzel ik toch als ik voor zijn kamerdeur sta. Wat zal me vandaag te wachten staan? Uiteindelijk ga ik naar binnen. Het ruikt er muf, de ramen zijn blijkbaar nog niet open geweest vandaag. Het licht is gedempt, zacht rood door de zon op de gesloten gordijnen. In het bed zie ik de contouren van een mens onder de deken, nog ondefinieerbaar. Als ik dichterbij kom, zie ik dat het echt pa is. Het grijze hoofd ligt op het kussen, de ogen zijn gesloten, de hand is bij zijn mond. Het lijkt of hij aan het duimen is. Voorzichtig schud ik aan zijn schouder, geen enkel effect. Ook als ik wat harder schud, is er geen reactie zichtbaar, niet eens een afwerend gebaar. Wat hebben ze die man gisteren ingespoten, dat hij daar vierentwintig uur later nog steeds knock-out van is?
Ik kijk om me heen maar zie geen statuskaart. Zouden ze hier al volledig over zijn op digitale kaarten? Ik kan me niet herinneren of dat bij de opname besproken is.
Terug op de gang zie ik niemand, geen patiënten en geen personeel. Ik klop op de deur van het kantoor en wil deze openen zonder te wachten. Tot mijn verbazing is de deur op slot. Hij wordt van binnenuit geopend en een zuster kijkt me vragend aan. Het is dezelfde zuster die er gistermiddag was.
‘Ik wil de status van mijn vader zien,’ zeg ik. ‘Wat hebben jullie hem gisteren ingespoten? Hij ligt nog steeds voor pampus.’
‘Sorry, mevrouw Van Zanten, die mag ik u niet laten zien.’
‘Hoezo niet?’
‘Dat is medisch geheim, dat wij niet mogen delen.’
‘Wat een onzin. Het gaat om mijn vader en ik wil zijn status zien.’
‘Dat kan dus niet.’
Ik ben verbijsterd en merk dat ik me opwind. Ik sluit een paar tellen mijn ogen en zeg tegen mezelf dat je meer vliegen vangt met honing dan met azijn. Als ik weer op kijk, glimlach ik. Ik hoop dat mijn ogen ook lachen en niet de kilte laten zien die ik van binnen voel.
‘Ik begrijp het niet, zuster, waarom mag ik de status niet zien? Ik ben zijn dochter?’
‘Mevrouw, wij mogen de status alleen aan familieleden laten zien, als de patiënt hier uitdrukkelijk toestemming voor heeft gegeven.’ De zuster glimlacht voldaan. ‘En dat heeft mijnheer Van Zanten niet. Daarmee is het voor ons dus klaar.’
Mijn mondhoeken zakken naar beneden en ik voel de glimlach verdwijnen. ‘Toen mijn vader hier binnen kwam, was hij ernstig gewond na een auto-ongeluk. Hebben jullie het hem toen gevraagd?’ Ik wacht op een antwoord, dat niet komt. ‘Daarna hebben jullie hem hier maanden verzorgd, maanden waarin zijn gezondheid nauwelijks verbeterde. Hebben jullie het hem toen gevraagd?’ Weer wacht ik even. ‘En sinds kort is hij zo hard achteruit gegaan, dat het blijkbaar nodig is hem vierentwintig uur per dag plat te spuiten.’Ik haal diep adem en schreeuw: ‘Hebben jullie het hem toen gevraagd?’
De zuster deinst achteruit en wil de deur van het kantoor dichtdoen. Vastberaden zet ik mijn voet er tussen en wring mezelf naar binnen.
‘Het kan me niet schelen wat jullie procedures en protocollen zijn. Ik eis nu de status van mijn vader te mogen inzien.’ Ik schreeuw nog steeds, mijn stem klinkt schel. ‘En als je dan toch bezig bent, laat me dan meteen zijn hele medische dossier maar zien. Ik wil alle namen van alle artsen die hem behandelen. Alle namen van het verplegend personeel. Ik wil de naam van iedereen die hem in de afgelopen maanden gezien en behandeld heeft.’ Ik haal diep adem. ‘Ik wil zelfs de naam van de vrijwilligster die hier met de boekenkar rondrijdt. Ie-der-een.’
‘Die hebben we hier niet,’ zegt ze verbouwereerd. ‘Er is geen …’
Ik laat haar niet uitpraten. ‘Dat zal me een rotzorg zijn. Ik wil de status zien. Nu!’
De zuster zucht. ‘Als u even wacht, bel ik het hoofd van de afdeling. Dan kunt u met haar praten.’
‘Schiet maar op,’ zeg ik geïrriteerd.
Ze pakt de telefoon en drukt op een toets.
‘Met Linda, afdeling B. Zou u op de afdeling kunnen komen? Mevrouw Van Zanten wil met u praten.’ Een korte stilte, voor ze verder praat. ‘Ja graag, het heeft haast.’ Weer een stilte. ‘Prima, ik vraag haar hier te wachten. Bedankt.’
Gelaten ga ik op de bureaustoel zitten die ze me aanbiedt. Ik staar naar de deur. Midden op de deur hangt een plakkaat met de tekst ‘Deur te allen tijde op slot draaien.’ Daar houdt deze zuster zich in elk geval aan. Binnen twee minuten klinkt er een zachte klop op de deur.
De zuster, die blijkbaar Linda heet, opent de deur op een kier. Als ze ziet wie er voor staat, opent ze hem helemaal en wijst naar mij.
‘Daar zit ze.’
Voor ik het doorheb, word ik door twee beveiligers onder de arm genomen en weggevoerd. Zonder aarzeling brengen ze me naar de buitendeur en gooien me bijna letterlijk de parkeerplaats op.


Lianne

Ik ben een enthousiast schrijfster van fictie. Voel me nog beginnend, schrijf korte verhalen in allerlei genres, maar altijd met aandacht voor de mens achter het verhaal. liannehartman.wordpress.com

2 reacties

Nummer 22 · 17 juli 2018 op 07:09

Heftig!

Wat een mooie serie verhalen!

    Lianne · 18 juli 2018 op 09:52

    Dank je wel, nummer 22.
    Het is mooi dat je dat zegt. We schrijven het als een vervolgverhaal, met een opbouwend plot, over de vervolgen heen, maar de losse delen zijn eigenlijk ook mooie portretjes geworden.

Geef een reactie