De receptie liep uit. Ik realiseerde me dat het feestelijk samenzijn een verlate rentree zou veroorzaken op kasteel Scheveningen en voelde me begaan met mijn lieve Debby aldaar. Kookdamp en kruidenwolken zouden inmiddels welig moeten tieren in mijn hemelse pannenkoekenhok. Onderweg naar huis passeerde ik een oliebollenkraam waarop boven de verheven toonbank de naam van de oliebollenventer op een uit het lood hangend reclamebord prijkte. ‘Jeffries oliebollekraan’ heette de junkfoodwoonwagen. Jeffrey en zijn eega verzorgden die dag zelf de bewaking van de vreetschuur. Hij ging gekleed in een ranzig sweatshirt en zij had haar stokbroodfiguur gehuld in een zich met vet volgezogen lamswollen trui. Geplaatst in een schap boven de kassa vertoonde een jaren zestig portable radio een praatprogramma.

‘Ja!’ Onderbrak Jeffrey ruw mijn aandacht voor het radiogesprek. ‘Drie oliebollen graag’, bevestigde ik hem. Met één vet behaarde arm op de balie leunend smeet Jeffrey met zijn andere hand een krakende zak met vetballen voor zich neer. De poedersuiker stoof gelijk een stuifzwam zijn sporen spuit, een toefje vruchtbaarheid de zak uit. ‘Wat krijgt u van mij?’ Ongeïnteresseerd keek Jeffrey over mij heen en zei: ‘Ken mè het rotte, vieah euroow.’
Het hoofd van Jeffrey veranderde na deze woorden in een stortbak vol vet. Vier euro voor drie oliebollen! Dacht ik. Dat is dure kost! Het kan u inderdaad niet rotten, dunkt me.
Ik accepteerde het vonnis van de oliebollenkraamhouder en fouilleerde mijn achterwerk voor wat losgeld. Het waren immers vier welbestede euro’s, want wat zou Debby zich verkneukelen bij het zien van al dit zoete goed. Gedwee legde ik twee muntstukken van twee voor Jeffrey neer, slikte de woorden ‘Doe maar drie vijftig’ in en griste de zak van de toonbank.

Langs het raam lopend van ons Schevenings paleisje zag ik hoe Debby al zingend het plafond aan het stofzuigen was. Ik aarzelde om direct het huis te betreden, omdat mijn ervaringen met haar terecht miskende zangtalent mij nog vers in het geheugen lagen. Nooit meer wilde ik door haar de viscose uit mijn sokken laten zingen.
Te laat wendde ik mijn hoofd af en zag vanuit mijn ooghoeken hoe mijn Debbert de stofzuigerslang nog feller heen en weer begon te zwiepen. Met de sleutel in het sleutelgat nam ik door de glazen voordeurruit Liesje waar. Het meisje stond in de ganghal alwaar ze stickers op de muur plakte. Met een permanent marker schreef ze daar vervolgens iets onder. Binnen vroeg ik haar of ze mee wilde lopen. In de huiskamer aangekomen bleef Debby volhardend met lange ferme halen het plafond teisteren. De restanten ornament kwamen daarbij als sneeuw naar beneden gedwarreld. Een grote klef kletsende natte zoen viel mij ten deel.

Trots toonde ik haar, met mijn arm recht vooruit, de vette zak met oliebollen. Hoe stom kon ik zijn. Ze keek mij verwijtend aan en maakte een betuttelend geluid met haar tong. ‘Ik ben sinds vandaag aan de lijn.’ Het gezicht van Lies echter verschoot van vraag naar vreugde. Dat betekende meer van al dat lekkers voor haar. Maar zij dacht te korte termijn. De boodschap van Debby baarde mij daarentegen sowieso al zorgen. Al haar eerdere pogingen hadden haar immers gemaakt tot hoe ze voor me stond. Ik hield van haar zoals ze was. Haar huidige vleselijke weelde was mij dierbaar.

Een week later begon er, zoals eerdere ervaringen leerden, goed de klad in het eetpatroon te komen. Zelfs de potgroenten werden niet meer opgewarmd en in geweckte toestand uitgeserveerd.
Tijdens het opendraaien en leegschudden van de pot bietjes vertelde Debby mij dat ze die dag weer 2 ons dichter bij haar streefgewicht was gekomen. Och, arme Debsel. Ze was niet meer te redden. Ik moest lijdzaam toekijken hoe mijn lief voor mijn ogen aan het verdampen was. Zoals het er op dat moment voorstond had ze met heel haar ziel en zaligheid gekozen voor een hongerdood met als eindresultaat het beoogde streefgewicht ad. 45 kilo.

Het kon niet uitblijven dat er door deze foltering schade zou ontstaan aan al haar schoonheid en dat ze uiteindelijk definitief verminkt zou raken. En jawel, de revival van de Pickwickborsten en puddingbuik waren de ongewenste neveneffecten van wat ooit veel en fier recht vooruit op mij afkwam. Ik had verkering met een leeggelopen ballon. En bleef het daar maar bij. Er diende zich nog een verslaving aan; ‘De hulpmiddelen’. Sponspillen, drankjes, zalfjes en reclamekul zoals de saunabelt. Commerciële advertentieprogramma’s zoals bijvoorbeeld What’s in store zouden haar gegarandeerd tot het mooiste model ooit kneden. Ongeacht of ik dat ook zo zou vinden.

Na verloop van tijd keek mijn lief naar de televisie alsof ie er niet was. Haar aandacht verplaatste zich in toenemende mate van de dieetartikelen naar overige aangeboden superaanbiedingen.
Het begon met een boekweitkussen, ofwel een kussensloop gevuld met plantenzaad, waarna de tuinklauw en een abtronic al rap volgden. De verslaving was voldongen. De meest nutteloze producten werden zo geloofwaardig de huiskamer in gespuugd en dus ingekocht, dat ik stilletjes het moment afwachtte waarop het uit de hand ging lopen. En dat liep het uiteindelijk dan ook. Zo had ze twee setjes spaarkaarsen vanuit de televisie naar ons huis laten brengen. Spaarkaarsen! Kaarsen van ander materiaal gemaakt dan reguliere was. Het werd verkocht als de romantische tegenhanger van de spaarlamp.

De kaarsen werden geleverd in een doos zo groot als een volwassen verhuisbox. Direct vanuit het folie plugde mijn lief de gezelligheidspalen in de gratis meegeleverde spaarkaarsenstandaards en vlotte zich naar de keuken om te retourneren met een doos lucifers. Kirrend ontstak ze het hout en hield het ontstane vlammetje met de tong uit haar mond bij de lont. Een grote vlam vormde zich rond de lont. Een seconde of tien verlichtte een duimhoog binnenbrandje de huiskamer om vervolgens te doven naar speldenknopgrootte. De kaars was vervolgens in 2 weken opgegloeid. Spaarkaars drie en vier vergingen hetzelfde lot.

Ondanks mijn verzoek om haar inkoopbeleid meer af te stemmen op ons budget, was ze vastberaden zich niet uit het veld te laten slaan door één dergelijke miskoop. Tal van schoonmaakproducten, vier messen- en pannensets, twee zelfopblaasbare slaapaccommodaties, et cetera verder, kwam ze tot de constatering dat de oppervlakte en inhoud van ons toch al niet ruim bemeten huis verzadigd was. Paniek alom, doch de oplossing was nabij. Het mobiele tuinhuis van Tellsell zou uitkomst gaan bieden. Achter het huis hadden wij immers een tuinpijpela van twee bij vier meter met achter tegen de pui, een verwilderde buxus. De enige begroeiing die ons tuintje opkleurde….

Categorieën: Vervolg verhalen

5 reacties

arta · 13 oktober 2012 op 13:57

Met een glimlach gelezen.

Zelf zou ik iets meer rust in het stuk gebracht hebben. Het is een vervolgverhaal, dus hee… Je hebt de ruimte 😉

Meralixe · 13 oktober 2012 op 19:06

Enkele weken geleden, ik denk bij een schrijven van ‘JanBontje’ kwam het er hem op neer dat de schrijver afhankelijk is van de lezer wat belangstelling betreft. Verder doordenkend op dit gegeven kan men de kwaliteit van het schrijven daar aan vast koppelen. Veel belangstelling – goed geschreven, weinig belangstelling – slecht geschreven. Dit klopt natuurlijk niet.
U verteld zeeeeeer mooi maar er zit een kantje aan die, afgaande op het aantal reacties, de lezers niet zó aanspreekt.
Misschien probeer je krampachtig een stijl te hanteren die je zelf nog niet 100 % onder de knie hebt en die er ook voor zorgd dat de boel niet lekker loopt. We blijven U volgen!

Nachtzuster · 13 oktober 2012 op 20:36

Ik verbaas me tot nu toe over het aantal reacties op deze vervolgverhalen. Voordat deze verhalen geplaatst werden, kende ik het hele verhaal al en wat mij het meest charmeerde was juist de steeds identieke stijl waarin dat geschreven is. Beeldend, sfeervol en humor met een scherp randje. Misschien is het lastig lezen als je de verhalen niet achter elkaar kunt lezen, omdat er steeds een paar dagen tussen zit. In mijn ogen doet dit afbreuk aan de continuïteit van de verhalen en jammer genoeg ook aan de interesse van de lezers dus. Ik lees er zeker geen krampachtigheid in, maar juist een constante sfeer. Die sfeer handhaven is moeilijk, zo niet onmogelijk, als je krampachtig ‘leuk’ of ‘mooischrijverij’ zou nastreven. Pierken heeft zich in deze verhalen een schrijfstijl eigen gemaakt waar je van houdt of niet. Dat kan. En indien je daarvan houdt, dan kan het niet beeldend of ‘onsmakelijk’ genoeg zijn. Er zit wel degelijk een extra dimensie in de verhalen die door de lezer misschien (nog) niet herkend wordt. Voor de duidelijkheid: Ik heb de verhalen gelezen voordat P en ik intiem werden. Waarmee ik enige bevooroordeling voor wil zijn. :kus:

arta · 14 oktober 2012 op 10:34

Ik denk dat je gelijk hebt, Nachtzuster. Vaak lees ik bij vervolgverhalen, op een regenachtige zondagochtend, na de laatste inzending, nog eens het hele verhaal terug. Pas dan lees je vaak onderliggende lagen…

Sagita · 17 oktober 2012 op 13:13

Geconsumeerd moet er worden, dat is duidelijk. Het is weer een echte Pierke al blijf ik moeite houden met zinnen als: [quote]Direct vanuit het folie plugde mijn lief de gezelligheidspalen in de gratis meegeleverde spaarkaarsenstandaards en vlotte zich naar de keuken om te retourneren met een doos lucifers.[/quote]Die overdrijvingen hebben hier helemaal geen functie!
groet Sa!

Geef een reactie

Avatar plaatshouder