Ze heette Coralie, maar dat wist hij niet. Zijn naam was Sylvain, ze had geen idee. Ze zagen elkaar vaak ‘s-morgens en ‘s-avonds op het pontje. Daarna losten ze weer op in het drukke forensenverkeer. Zes minuten stonden ze dan dicht bijeen op de pont aan de railing, of zaten niet ver van elkaar af in de kajuit, als het regende of koud was.
In het begin wendden ze hun ogen snel af als hun blikken elkaar troffen, om het daarna opnieuw te proberen. Soms liet ze zich bekijken door hem en tuurde dan in de verte. “Nu jij?”, leek ze dan te vragen en dan draaiden de rollen zich om. Steeds vaker durfden ze elkaar aan te kijken en soms stonden ze zo dicht opeen dat ze mekaar konden ruiken. In de zomer had ze hem wel aan zijn riem tegen zich aan willen trekken…En wat was hem dat graag overkomen!
Hun zwijgzaamheid werd een bijzondere verbinding, zonder welke het sprookje onmiddellijk verbroken zou worden. Ze koesterden het. Na een paar maanden zochten hun ogen elkaar steeds gretiger en glimlachten ze openlijk naar elkaar. Wanneer de pont voor een van hen te rap was vertrokken dan zwaaiden ze even, wat uitbundiger naarmate de afstand groter werd. De fijne nuances in de stand van haar beweeglijke mondhoeken vertelden hem haar stemming en dat las zij evenzo af uit zijn sprekende ogen, die wat afbabbelden met haar. Hun laatste blik bij het afscheid overlaadden ze steeds met hun gloedvolle sympathie voor elkaar, al was het maar om een brug naar de volgende ochtend te kunnen slaan…
De kwelling die ze elkander zo ogenschijnlijk oplegden, was tevens de motor die het verlangen naar elkaar opstuwde tot buitengewone hoogte.
Het gebeurde precies toen ze elkaar een jaar kenden, ze stonden zij aan zij op de pont over ’t Scheld, op weg naar huis. De zon stond laag en haar schittering danste over de golven. Alsof ze het zo hadden afgesproken, op de helft van de oversteek, draaiden ze zich naar elkaar toe en nam hij haar hand en voerde haar vinger door een gouden ring met diamant. Ze kusten elkaar en zij ontdooide als eerste de bevroren stilte; ‘Ja ik wil’, fluisterde ze. ‘Wil je ook drie kinderen?’ vroeg hij lachend. ‘Dat vertelde ik jou al na een maand’, lachte ze terug.
Drie heen en weer’s bleven ze stil tegen elkander aan, spreken was onmogelijk en nog één keer gingen ze de weg naar huis, zonder te weten van elkaar waar dat was, in de mooie Sinjorenstad, voorbij de Groenplaats nog.

7 reacties
troubadour · 21 mei 2014 op 07:17
Elf keer ‘elkaar’ in een vrij korte column. Maar toch een prachtig sprookje Anders.
Anders · 21 mei 2014 op 07:47
Je vergist je Troub,….Maar ik meende zelf een Vlaamse tongval te herkennen en het gaat dan ook over ’t Scheld,… Ik gok op Joyce23.
Oh ja, en bij mij stoorde de ‘elkaars’ niet echt (hoewel ik ze ook had opgemerkt) maar ik vind het wel een heel mooie (korte) collumn.
Mien · 21 mei 2014 op 08:31
Deze is geschreven door:
[img]http://althaeapers.nl/wp-content/uploads/2014/04/blackbird-merel-silhouet.jpg[/img]
Nachtzuster · 21 mei 2014 op 18:32
Mooi sereen sprookje zoals niemand anders kan schrijven dan..jawel, Anders.
g.van stipdonk · 21 mei 2014 op 19:15
Gokje. Meralixe.
Pierken · 23 mei 2014 op 12:22
Meralixe heeft er niet zoveel mee, dus zou het tof zijn als dit romantische verhaal van zijn hand is :yes:
troubadour · 1 juni 2014 op 13:44
Geschreven door Troubadour.