De nietszeggende blik in zijn ogen vind ik denk ik het ergst. Uit niets kan ik opmaken of hij blij is met mijn komst, of juist helemaal niet. Hij zit daar maar wat voor zich uit te kijken en mompelt er zo nu en dan wat bij. Ik voel mijn tranen branden en ik heb een brok in mijn keel.
Het helderblauw van zijn ogen heeft plaats gemaakt voor grijsgrauw en de eens zo gulle glimlach is gereduceerd naar een triestheid die me angst aanjaagt. De volle lippen die me vroeger vol passie konden kussen zijn nu gevormd in een rechte lijn. “Vragen hoe het met je gaat heeft volgens de verpleging niet echt zin, maar het is wel de gemakkelijkste opening, dus ik doe het gewoon toch. Hoe gaat het met je? Trek je het allemaal een beetje, hier? Ik heb begrepen dat je best aardig aan het herstellen bent en dat je zo nu en dan een helder moment hebt. Zou prettig zijn als dat moment dadelijk dan even is, dat schept net even iets meer een band dan dat ik in het luchtledige sta te zwetsen. Is het eten hier nog een beetje te doen, of zijn de maaltijden bij ieder willekeurig chartervliegtuig hierbij vergeleken een verademing? Komen de meiden je vaak opzoeken? En je ex, is die al langs geweest? Nah, zal vast niet. Die zal het wel te druk hebben met de zoektocht naar haar eigen ik, zoals altijd. Hoe kun je eigenlijk zo stom zijn om je auto tegen een boom te parkeren? Ik weet dat parkeren een crime is, in de stad, maar om dat nu op deze manier kenbaar te maken vind ik wel erg rigoureus. Wil je trouwens iets drinken, of moet je dan met rietjes gaan zitten klunzen?”

Zijn blik blijft doods, maar om zijn mond zie ik een lichte glimlach. Ik maak mezelf wijs dat hij weet wat ik zeg, maar vraag me tevens af of hij me überhaupt wel hoort. Ik schuif een stoel bij en ga tegenover hem zitten. We zwijgen elkaar aan. En ondanks het verdriet dat ik heb voelt het goed. Hij mompelt opnieuw en ik buig me voorover om te horen wat hij zegt. Het is een onsamenhangende brij van klanken. Alle vitaliteit die hij voorheen uitstraalde is volledig verdwenen en het maakt me boos. Hoe kan het verdomme zo zijn dat we kunnen landen op de maan maar dat er geen medicijn bestaat tegen zwaar hersenletsel.

“ Nou, ik moet er zo weer vandoor. Ik mocht je maar een kwartiertje lastigvallen met mijn aanwezigheid. Anders werd het te druk voor je, volgens de verpleegster. Grappig, vind je niet? Als je in de Dikke van Dale bij het woord druk kijkt, staat jouw naam daar vermeldt. Maar goed, haar wil is mijn bevel, dus ik ga een braaf meisje zijn. Kom ik overmorgen weer een kwartiertje langs, oké? Ik neem wel wat leesvoer voor je mee. Het Bernini Mysterie van Dan Brown schijnt wel aardig te zijn en aangezien je zijn andere boeken ook hebt gelezen…
Lieve schat, probeer een beetje op te knappen, we missen je allemaal zo”

Ik sta op, kus hem zacht op zijn mond en voel zijn lippen een beetje uiteen gaan.
Zijn ogen zoeken de mijne en even is het helderblauw weer terug.

“Als je de volgende keer komt, zou je me dan misschien de mogelijkheid willen geven om te antwoorden op je vragen, in plaats van ze alle vijfentwintig achter elkaar te stellen? Dan Brown is prima, overigens.
Dag lieve Chantalle, tot overmorgen.

Ik loop naar de deur en de tranen vinden hun weg naar beneden.
Dankbaar, voor dat ene heldere moment.

Categorieën: Algemeen

10 reacties

SIMBA · 27 oktober 2009 op 15:19

Mooi geschreven!

Avalanche · 27 oktober 2009 op 17:05

Prachtig, soms erg grappig en met een onverwacht einde. Compliment!

Ma3anne · 27 oktober 2009 op 19:57

Aangrijpend.
Goed geschreven.

pally · 27 oktober 2009 op 21:35

Heel mooi geschreven. Een monoloog die toch een beetje een dialoog is. :wave:

groet van Pally

axelle · 27 oktober 2009 op 21:44

O la la. Mooi neergezet.

arta · 28 oktober 2009 op 14:39

Wow, dit is móói!
🙂

Garuda · 30 oktober 2009 op 16:04

Heel confronterend maar erg mooi geschreven.

Prlwytskovsky · 31 oktober 2009 op 11:16

Voelbaar beschreven emoties.
Hier hou ik van: kort en krachtig. :duimop:

Shitonya · 1 november 2009 op 20:04

Je beste column die ik ooit van je heb gelezen

KawaSutra · 20 december 2009 op 00:37

Uitstekende column.

Geef een antwoord