Rood, vuurrood loopt haar gezicht aan. Tot achter haar oren. Ze tintelen. Het kwam langzaam op via haar twee lieve jongens. Zwetend vanuit haar decolleté. Kroop langzaam tot onder haar neus. Een natte snor. Maar dit keer alleen van boven. Opstijgende rook. Maar wat nu? Rustig blijven, rustig blijven. Slechts een beetje puffen en vooral, wachten, wachten tot het stilletjes en vanzelf over gaat. Brandende liefde? Bende gek, Frans. Dit is geen brandende liefde. Dit is pure zelfkastijding. Blozen als een puber. Dat is toch seffens lang geleden. Blozen geeft geen koude rillingen, Frans. Nee, ik ben niet in the mood. En Glenn, die mag je van mij nu even in je reet steken. Ik pas effen hoor. Heb je geen verkoelend muziekje voor mij. Of een zakje ijsklontjes. Ik voel me als een bokser die zojuist weer een ko heeft ondergaan. Geveld. Languit op de mat. Daar voel ik me nu thuis.

Of dit lang gaat duren, Frans? Joh, ge zult er nog van lusten. Tot bloedens toe. Als straf. Daar helpen geen appels of bananen tegen. Nee, ik ben in deze toestand zeer zeker geen fruitig typje. Die verrekte slang, dat paradijselijk serpent bezorgt mij dagelijks een rood hoofd. Een tomatenkop van hier tot gunder. Het liefst zou ik dat hoofd met een blikopener onthoofden. Het voelt als tomatenpuree van een goedkope soort.

Of je kunt helpen, Frans? Uit mijn buurt blijven, dat helpt. Ik ruik mezelf nu. Althans dat denk ik toch. Het zweet drupt nu ook nog eens van mijn spina, linea recta in mijn maxicosislip. Getver. Koud en nat. Dat wordt weer omkleden. Met een zucht stort ik neer op bed. Mijn gedachten zweven bonkend heen en weer. Naast me op het nachtkastje ligt een stapel beddengoed. Die ligt steevast klaar als reserveset voor noodgevallen. Waterafstotend uiteraard.

Ik kijk uit het slaapkamerraam en zie in de lucht een grote rode vlieger rondfladderen. Hij dwarrelt en sputtert. En ik, ik hoor de vlieger denken: Stort ik nu in, of stort ik nu neer? Frans rent achter de vlieger aan. De lieve schat. Tegen beter weten in. Wel lief. Hij heeft de vlieger bijna te pakken. Met een ferme sprong springt ie er bovenop. Plat op zijn buik. De vlieger knarst. Maar niet voor lang. Hij wringt en wurmt, hij bonkt en butst, hij gonst en gutst. Zo snel geeft de vlieger zich niet gewonnen. Hij heeft een hekel aan rust. Een echte rustverstoorder is dat monster en bepaald geen vrolijke Frans. Wat? Nee, ik heb het niet tegen jou.


Harrie

Tijdreiziger

5 reacties

Nachtzuster · 9 november 2012 op 17:49

Een vrouw in de overgang, denk ik? Ik herken namelijk wel een paar symptomen. Niet die maxicosislip overigens. Ergens leest het lekker weg, aan de andere kant is het ook best vaag, zeker de laatste alinea. Maar zeker niet slecht geschreven. Het enige wat me opvalt is dat het begint vanuit de derde persoon en later overgaat in de ik-persoon. Maar dat is misschien bewust zo gedaan?
In ieder geval moet ik er eigenlijk over nadenken of het nu beregoed geschreven is of niet. Lastig, Harrie
:hammer:

Meralixe · 9 november 2012 op 18:50

Na de tweede alinea gestopt met lezen. Ik zou kunnen nog harder doorgaan met mijn kritiek door U te vragen uw pilletjes bijtijds te nemen maar dat doe ik nu even niet.
Beste Harrie, U schrijft foutloos en iedereen kent U als een zeer intelligente persoon, waarom dan een dergelijk schrijven?
Natuurlijk mag het best wel wat moeilijker worden maar ik althans kan er kop nog staart aan krijgen. :eh:

arta · 11 november 2012 op 10:55

Leuk stuk, Harry!

(En ik heb hem uitgelezen :-D)

Harrie · 12 november 2012 op 11:33

Bedankt voorjullie reacties.

Mien · 12 november 2012 op 20:03

Waar haal je toch die onwijsheid vandaan, ha, ha, Harrie?

Mien

Geef een reactie

Avatar plaatshouder