Steeds vaker hoor ik de laatste tijd mensen zeggen dat we al goden zouden zijn en dat we alleen nog maar het goede en het goddelijke in o­nszelf hoeven te o­ntdekken om gelukkig te worden. Soms beschouwen ze dat als dé ontdekking van hun leven en putten zij er tijdelijk veel inspiratie uit. Maar beseffen deze mensen eigenlijk wel waarover ze het hebben? Is zo’n houding nog te verenigen met de essentie van het christelijk geloof? We weten allemaal dat de geestelijke weg er één is van twijfels, aanvechtingen en verzoekingen – hoe we dat ook verder willen noemen. We gaan allemaal van tijd tot tijd door perioden van angst, o­nzekerheid en moedeloosheid. Die aanvechtingen worden vaak alleen maar erger als je probeert om ernst te maken met je geloof. Daardoor verander je geleidelijk van binnen. We kunnen immers niet in alle opzichten dezelfde blijven als we oprecht proberen om wijzer en liefdevoller te worden tegenover God, tegenover anderen en tegenover onszelf. Al vechtend en worstelend komen we taaie weerstanden tegen, zowel in onszelf als in de buitenwereld. Daarbij zullen we ook nog vaak ontdekken dat die obstakels in de buitenwereld hard nodig zijn om de zwakten in onszelf aan het licht te brengen, zodat we ze met vallen en opstaan kunnen overwinnen. Wie dergelijke ervaringen opdoet, beseft ook dat hij er héél veel voor op het spel moet zetten, ja, dat hij er álles voor op het spel moet zetten om Jezus echt na te volgen.

Wat zei Hij immers? Hij zei: “Neem je kruis op en volg mij!” Beseffen we eigenlijk wel wat dat betekent? Betekent dat soms, dat we achterover kunnen leunen in het veilige besef dat we er al zouden zijn? Wáár zouden we dan al zijn zónder die navolging? In het ‘goddelijke’ misschien? Wélk goddelijke? Zijn we dan al ‘goden’? Wie zichzelf en zijn binnenste ook maar bij benádering kent, weet dat we volstrekt geen goden zijn, eerder halflichte en halfdonkere creaturen – maar zeker geen lieverdjes!

Wie geen perioden van vertwijfeling, aanvechting en wanhoop heeft gekend, weet niet waarover hij praat als het om de innerlijke loutering gaat. Dan besef je ook dat het volledig waar is wat de mystieken schreven over ‘de innerlijke burcht’ en over de monsters en peilloos diepe angsten die je tegenkomt op je tocht door het schimmenrijk van het innerlijk. Dat is geen kleinigheid meer. Het is als een tocht door de hel of het vagevuur. We komen onszelf daarbij tegen, met alle licht- en schaduwzijden die het menszijn inhoudt. Dan gaan we door de afgronden van het innerlijk – zoekend, tastend, voetje voor voetje. En aan al die mooie boeken die je vòòr die tijd gelezen hebt, heb je dan ongelofelijk weinig meer! Je zult het dan met jezelf en je eigen schaduw moeten uitvechten.

Dát is de leegte, de ‘naaktheid’, waarin we allemaal ooit komen te staan, of we dat nu willen of niet. Dan maakt het ook helemaal niets meer uit wat we op aarde zijn of waren: arm of rijk, jong of oud, belezen of niet – al die dingen maken dan geen enkel verschil. Want op het innerlijk komt het aan als ons al het uiterlijke uit handen is geslagen. Wie dan overeind blijft, is door geen macht in de buitenwereld meer te verslaan.
Is dát niet, wat Jezus bedoelde toen hij zei: “Wie zichzelf overwint, is sterker dan hij, die een stad inneemt?” Wie zijn schaduw overwint, heeft alles al overwonnen. De rest wordt ons geschonken. Dán pas zullen we de hemel bereiken – of dat nu al op aarde is, of in het hiernamaals maakt geen verschil. De hemel verschijnt waar we onszelf de baas zijn geworden door Christus in ons toe te laten. Dat is geen gemakkelijke weg. Het is een weg waarbij we af en toe diep verdeemoedigd zullen worden. Maar er is géén echte geestelijke weg zónder zelfverloochening, zoals er geen echte diamant is zonder dat ‘ie eerst aan alle kanten glad wordt geslepen.
De vraag is alleen of we dat ook werkelijk wíllen. Wíllen we dat, of willen we liever veilig aan de kant blijven staan, wegdromend in onze eigen fantasieën, techniekjes, voorwerpen, rituelen en andere uiterlijkheden, die ons nooit verder zullen brengen?
Ten diepste zouden we het wel willen, maar… En dan komen er allerlei tegenwerpingen, smoesjes, kletspraatjes. Gewoon omdat we bang zijn. Bang om het diepe in te gaan. Bang om af te gaan. Bang om te worden uitgelachen, uitgestoten, vernederd. Want we zijn praktisch allemaal bang, laf en klein als ons gevraagd wordt Christus na te volgen. Wie zegt, dat hij of zij Christus zonder problemen durft te volgen in Gethsemane, is een leugenaar of geestelijk verblind.
Ook ikzelf ken die angsten, die worsteling. In feite praat ik net zo hard tegen mezelf. Maar laten we er geen doekjes om winden: de geestelijke weg en de navolging van Christus is een serieuze zaak. Een bloedserieuze zaak. Zonder de inzet van onze hele persoon, onze ziel en zaligheid, zal dat nooit lukken. Godzijdank staan we er niet alleen voor.

Categorieën: Algemeen

4 reacties

LouisP · 19 april 2011 op 16:10

Vreemd, cxwegen zijn ondoorgrondelijk. Bij sommige stukken en auteurs kan ik het begrijpen waarom ze zo weinig worden gelezen. Of waarom ze weinig reacties krijgen. Bij dit stuk begrijp ik het niet.
Ik vind het een goed geschreven stuk dat lekker leest. Met best wel vernieuwende invalshoeken..
Prima gedaan P.

dokterblues · 19 april 2011 op 16:47

Allemaal goed en wel, maar hoe leg je dit uit aan de ouders die hun kind naar het graf gebracht hebben, ondanks de vele gebeden die ze hebben gedaan?
Of bestond Jezus toen even niet?

arta · 19 april 2011 op 19:07

Beste Patjelotje,
Er zijn maar weinig, in de wij-vorm geschreven, columns, die mij niet storen. Deze is daarop geen uitzondering. Wij vinden dit, wij voelen dat, wij gaan door het hellevuur… Spreek voor jezelf zou ik zeggen, dat leest in ieder geval een stuk prettiger.

Meralixe · 20 april 2011 op 11:35

Dergelijke levensvragen in één column gieten lijkt mij onbegonnen werk. Na enkele bedenkingen komen er te veel vragen bij.
De afsluiter “Godzijdank staan we er niet allen voor” omvat vele antwoorden.

Geef een antwoord