Ik weet niet of het verstandig is , maar ik heb een lang gekoesterde wens van mijn vrouw Carla in vervulling laten gaan. Ik heb een Landrover Defender voor haar gekocht. Een gerestaureerd exemplaar uit 1979. De korte uitvoering. Via internet de foto’s bekeken en hij is om van te smullen, zo mooi. Carla is altijd al wars van enige luxe geweest en vindt dat een auto geen opsmuk behoeft, dwars door een omgeploegde akker moet kunnen en verder uit grote bouten en moeren moet zijn samengesteld. Een klein detail is dat ik hem uit Maasbracht moet halen, zo’n 270 kilometer zuidwaards van waar we wonen.
Carla is zo bezeten van dit voiture dat zij mij al de hele week vertelt hoeveel nachtjes het nog slapen is, voordat zij hem krijgt en of hij straks in de hal mag staan.
Mijn zoon Oscar en ik gaan hem op zaterdagmorgen ophalen.

In een Citroen van een type waar de fransen het meest hun best op gedaan hebben zakken we die zaterdagmorgen vroeg af naar het zuiden. De wind is tamelijk hard en het sneeuwt overdwars, maar na een dikke drie uur bereiken wij het adres alwaar wij de kolos kunnen aantreffen. De man blijkt op een uitloper van de St. Pieter te wonen want via zijn achtertuin dalen we een aantal trappen af en komen bij een garage aan die uit de zandstenen rotsen gehouwen lijkt te zijn. De Landrover staat ervoor en wat istie mooi. Hij ruikt naar de benzineauto’tjes van vroeger op de kermis.
Na wat controlewerk spreken we af dat hij hem naar het postkantoor rijdt waar we de papieren overschrijven en ik hem terug naar zijn huis rijd. Ik moet nog even wennen aan het grote bakbeest. Mijn zoon neemt plaats op een zijbank achterin.
Als hij de motor start bemerk ik dat mijn citroen beduidend meer geïsoleerd is. Terwijl wij de straat uitrijden, kijk ik naar achteren, om te bezien alwaar het orkest zich bevindt dat op potten en pannen lijkt te spelen, maar het blijkt de auto te zijn, die mij op dit concert trakteert.
Onderweg worden we min of meer gelanceerd door de drempels en lijkt het een heksentoer om de gepoetste kant boven te houden, maar de man maalt er niet om en vertelt rustig verder over het feit dat het zo mooi wonen is in Limburg.
Na het postkantoor rijd ik de tank terug en de verkoper vraagt of we nog koffie willen. Bang dat ik mij nog eenmaal door een halve limburgse vlaai moet werken sla ik zijn aanbod af en betaal de schade. Zoals afgesproken is de Landrover helemaal vol getankt.
Ik neem afscheid van mijn zoon, die de citroen terug zal rijden.

Als ik de straat uitrij neem ik een trottoitband mee en stuiter nog net niet met mijn kop tegen het zijraam. De versnellingen zijn niet moeilijk. Ze zitten allemaal ongeveer een meter van elkaar af. Als ik eenmaal op de snelweg zit, lijk ik een gigantische snelheid te bereiken, maar de teller geeft aan dat ik nog geen 60 kilometer per uur rijd. Nu gas bijgeven en langzaam klim ik naar de 80 kilometer per uur. Er lijkt zich een enorme buffel in mijn met reservewiel getooide motorkap te bevinden die boven de laatst genoemde snelheid een vervaarlijk grommend geluid laat horen. Naarstig zoek ik of er nog meer versnellingen zijn, maar dit is echt alles. Ik zie nog wel een pook met een gele – en eentje met een rode knop, maar alleen de kleur al zegt mij, dat ik daar vanaf moet blijven. Oké, dat wordt dus geen topsnelheid.
Ik rij steeds in een opstopping en de voorste auto ben ikzelf.

Zo nu eens rustig bekijken hoe alles werkt.
De radio zit helemaal aan de andere kant. Onmogelijk om de knoppen te bedienen.
Op het dashboard zit in het midden een soort dildo. Rare plaats voor zo’n ding. Als ik hem beetpak voel ik allemaal knopjes, maar zonder leesbril kan ik het instrument niet goed bekijken.
Oké, dan nu de verwarming, want ik begin het aardig koud te krijgen. Steeds bedien ik een hendel of knop en voel dan aan het rooster dat zich bij mijn voeten bevindt, maar het heeft allemaal geen effect. Ik besluit mijn leesbril op te zetten en zie dat het woord SONY op het rooster staat. De luidspreker van de radio dus. Goed, daar hoef ik geen warmte van te verwachten. De dildo op het dashboard is trouwens voor de bediening van de radio, maar muziek is nauwelijks te beluisteren in deze schijnbaar steeds opstijgende DC3. Nu de stoel. Die wil in twee standen. Achteruit, maar dan wordt de leuning door een achterliggende stang naar voren gedwongen, zodat ik verder met mijn hoofd op het stuur zou moeten liggen, of naar voren zodat mijn horecaspoiler langs het stuurrad schuurt. Ik kies voor de laatste stand. Opeens wordt mijn aandacht getrokken door de benzinemeter, die aangeeft dat de tank reeds half leeg is. Oh, jee, al mijn betaalpasjes liggen in de citroen en ik zit nog niet eens in Den Bosch.

Ik besluit een benzinestation binnen te rijden en al mijn losse geld bij elkaar te schrapen.
Zevenentwintig euro. Eén keer knijpen met de slang is genoeg. De cijfers flitsen voorbij.
Normaal let ik daar niet zo op. Binnen reken ik af en zie daar ook een pin automaat.
Nu heb ik nog ergens een pasje waar ik in de vroege oudheid wel eens mee gepind heb.
Ik probeer het. Zet mijn leesbril op en volg de procedure. “Wilt u een transactiebon?”
vraagt het apparaat. Nee natuurlijk. Nadat ik mijn gewone bril weer opgezet heb vraagt het apparaat nog iets. Met mijn kippige kop druk ik de nee knop in want ik hoef verder niks. Na een moment wachten bemerk ik dat er geen geld tevoorschijn komt. Leesbril weer op. Op de display staat dat ik de transactie afgebroken heb. Opnieuw proberen maar nu opletten. De laatste vraag was iets over een kleine bijdragje voor deze dienst. Ik druk nu de ja-knop in. Meteen vertelt het apparaat mij dat ik als gast niet twee keer op dezelfde dag kan pinnen. Teleurgesteld steek ik mijn pasje weer in mijn portefeuille en zet mijn reis voort. (Achteraf vertelde Carla mij dat ik ook bij het loket had kunnen pinnen.)

Omdat ik verder geen wegenkaart bij mij heb, let ik goed op de borden. Ik kan nu kiezen tussen Nijmegen en Utrecht. Ik wil er allebei niet heen. Apeldoorn of Zwolle wil ik zien.
Ik moet toch kiezen en rij richting Utrecht. Verkeerd, want ik zie niks bekends meer. Afslag genomen en binnen een mum van tijd sta ik in het centrum van Rosmalen. In mijn citroen hoef ik mijn stuur maar dertig graden te verdraaien, wil ik een haakse bocht nemen, maar in deze vrachtwagen is dat niet zo. Bij de eerstvolgende rotonde schiet ik er bijna recht overheen en ik kan nog net een vrouw met kinderwagen ontwijken. Het stuur, dat op een rad van een rijnaak lijkt moet minstens driemaal rondgedraaid worden, wil mijn tanker van koers veranderen. Het pootje van mijn bril schiet langs mijn oor, als ik nog net via het trottoir de weg weer oprij.
Overal zie ik borden met plaatsnamen waar ik echt niet heen wil en verdwaasd rij ik verder, mijn bril weer rechtgezet, want anders zie ik alles dubbel. Tot mijn verbazing kom ik een bord Nijmegen tegen en voor ik het weet rijd ik weer op de snelweg. Ik ga goed, want ik zie de afslag Autotron en daaronder ook een aanduiding dat hier het crematorium is. Dat zag ik ook op de heenweg en toen vond ik het ook al zo’n leuke combinatie.

De benzinemeter zakt en zak. “Als ik Zwolle dan maar haal,” denk ik bij mezelf, “dan kan ik mijn zoon wel bellen om te vragen of hij mij wat geld brengt.”

LARO en ik zoeven Zwolle voorbij en de koers gaat oostwaarts. Ik krijg nu de wind verkeerd op de wagen en ik bemerk dat mijn haren zelfs bewegen. Koud, koud en nog eens koud. Ik mag er niet aan denken dat ik tot stilstand kom, want dan wordt het nog kouder en het is ook weer behoorlijk gaan sneeuwen. De verwarming lijkt het een beetje te doen, maar door de tocht is de temperatuur niet echt aangenaam te noemen. Bij het laatste benzinestation voor ik thuis zal komen stop ik.
Als ik naar binnen toe gelopen ben ga ik bij de saucijzenbroodjes staan. Lekker warm. Iedereen schijnt nu zo’n ding te willen oppeuzelen en diverse keren moet ik uit de weg.
De verkoper beziet mij steeds vanuit zijn ooghoek en vermoedt waarschijnlijk dat hij met een landloper te maken heeft.
Ik herinner mij ineens dat ik nog een vijfje in mijn portefeuille heb. Het zit opgekreukeld onder mijn paspoort. Behendig en zonder veel omstanders te raken rijd ik mijn gevaarte achteruit naar de benzinepomp en druppel een beetje van het kostbare vocht in de tank.

De laatste etappe. Onder het rijden bel ik Carla en door het lawaai kan ik alleen horen dat iemand iets wil zeggen, maar verstaan doe ik het niet. “ Zet de koffiepot maar aan,” zo schreeuw ik, “ met een kwartier ben ik thuis.”
De laatste hindernis is de oprijlaan. Een weg van Drentse keien. Stapvoets neem ik de route. Door het trillen van de kou en het schudden van de LARO zie ik drie huizen aan het einde van de weg.
“Lekker veel huis,” denk ik bij mijzelf, “en dat voor maar één hypotheek.
Uiteindelijk doorklief ik het gazon voor mijn huis en ik zie dat Carla reeds naar buiten toe komt. Ook enkele buren komen de rariteit bewonderen, al had ik liever gehad dat zij dat pas in de zomer gedaan hadden. Lidderend van de kou zoek ik een weg naar de voordeur. Mijn superburgerlijke geruite pantoffels trek ik onder de kachel vandaan, schenk koffie en plof neer in mijn heer bommelstoel.

Net als ik mijn koffie op heb en de fles met Drentse kruidenbitter wil pakken komt Carla binnen die zegt dat zij nu wel een ritje wil maken en of ik even meewil.
Hoe ze het flikt is mij niet duidelijk, maar reeds op het gazon bereiken wij een snelheid van vijftig kilometer per uur en razen rakelings langs de gesmede hekwerken, die ik gelukkig nog niet gesloten had. Dan draaien we richting oprijlaan. Of is het nu een afrijlaan?
Ook de derde versnelling wordt bijgeschakeld en nu functioneer ik alleen nog als airbag.
“Spartaans tiepje he,” zegt Carla glunderend opzij kijkend.
“ Als we wat sneller rijden voel je de hobbels niet zo,” verduidelijkt zij.

Ik steek mijn pantoffels recht onder de blower en zie een dolgelukkige vrouw.
Nou ja, daar doe je het voor en geloof me echt:

Wie een LARO voor zijn vrouw van Maasbracht naar Exloo rijdt moet zielsveel van haar houden.


6 reacties

Anne · 18 maart 2006 op 13:48

He, ik wou dat ik eens zo verwend werd….
Prettig geschreven verhaal.
Groet van Anne

Chantal · 18 maart 2006 op 14:31

Inderdaad prachtig. Hoewel het een lang verhaal is, heeft het me geen moment verveeld! Mooi gedaan! 🙂

Ma3anne · 18 maart 2006 op 18:19

Inderdaad wat lang, maar ik heb me geen seconde verveeld. Ik heb geen idee wat een Laro is en je wilt niet weten wat voor gevechtsvoertuig ik nu voor me zie. Hilarisch verhaal! 😀

DriekOplopers · 18 maart 2006 op 18:53

Een man die veel voor zijn vrouw over heeft, dat is een droomkerel. Een man uit duizenden, niets meer, niets minder.

Moeder de vrouw komt dus niets tekort: stoere auto, en een toffe vent, die ook nog heel goed kan schrijven, bovendien 😉

Driek

sally · 19 maart 2006 op 01:03

Even uitprinten en op bed lezen.
morgen vertel ik wel hoe leuk ik het vond. 😉

(van zo`n lieve man vind ik alles leuk!)
(Begin en eind al gelezen… 😀 )
groet Sally

KawaSutra · 20 maart 2006 op 20:30

Eindelijk weer eens een goede schrijver voor de categorie ‘Vervolgverhalen’.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder