Ik ben zojuist moeder geworden van een 200 jarig kind. Een vet, zwaar en gerimpeld kind. Mooi is ze niet, klein ook niet, maar wel lief. In het verpleeghuis, waar mijn dove mevrouw me wekelijks wacht, zie ik haar langzaam achteruit gaan. Haar gezicht wordt smaller, vermoeider en somberder. Als ik kom slaapt ze meestal. Gisteren probeerde ik haar wakker te maken door haar handen vast te pakken en te aaien, maar er kwam geen enkele beweging in haar oude, stramme lijf. Ze lijkt achteruit te gaan. Is het een tijdelijke inzinking of een langzame inzet naar haar levenseinde?

Na half vier is ze wakker. Ze zit nog steeds in elkaar gezakt in haar rolstoel, haar favoriete knuffel in haar armen gekneld, haar mond tegen zijn zachte haardos gevleid. Haar troostknuffel.

Ze lacht blij, ze herkent me!
“Ben je er weer?” Ja, ik ben er weer.
“Moeder dood, vader dood, ik ben helemaal alleen”, bromt haar zware stem. Ze maakt het gebaar van tranen uit haar ogen vegen. “Ik heb van papa gedroomd.”
Ze maakt nu een drinkgebaar waaruit ik begrijp dat hij teveel van het een en ander dronk. “Mijn arme mama”, zegt ze nu. Ze vertelt het alsof ze weer het kind is van toen.
“Ik ben zeker 200”, laat ze er onlogisch op volgen. Een paar weken geleden snoefde ze nog 116 jaar te zijn. Misschien wil ze laten weten dat haar leven nu te lang gaat duren.

“Zullen we samen koffie gaan drinken?” vraag ik haar.
Jij en ik samen? gebaart ze.
Uitgebreid neemt ze afscheid van haar medebewoners alsof we op wereldreis gaan. Ze is blij dat ik haar eenmaal per week bezoek. “Ik ben helemaal alleen op de wereld”, treurt ze elke week.

Als ik wegga, roept ze: “Mama, dat is mijn mama”, en: “Kom je terug?”
Ja, ik kom terug, ik kom altijd terug, beloof ik haar.
“Fijn”, knikt ze en gebaart dat ze een dikke knuffel wil.
Ik sla mijn armen om haar heen en geef haar een kus, ik krijg er één terug en nog één en nog één. Ze heeft een enorme behoefte aan lichamelijk contact. Haar hele lichaam schreeuwt; houd me vast, houd me vast.
Hoe eenzaam kun je zijn, vraag ik me af, in deze ondoordringbare stilte van doof zijn, waar zelfs het geluid van je eigen ademhaling je niet vertrouwd kan zijn?

Categorieën: Gezondheidszorg

7 reacties

Avatar

Dees · 10 februari 2008 op 12:33

[i]Hoe lang kun je andermans eenzaamheid verdragen[/i] is dan weer de vraag die bij mij opkomt bij het lezen van dit stukje. Dag in dag uit verloren zielen. Ik denk niet dat ik het zou kunnen…

Mooi stukje trouwens, sorry, liet me ff gaan 😉

Avatar

Mosje · 10 februari 2008 op 20:07

Ook al erger je je groen
In een verpleegtehuis is altijd wat te doen

Avatar

dashuri · 10 februari 2008 op 20:33

Shiiiiiiiiiiiit 😀

Zalig rijmpje! Hahahaaaa! Mijn humeur is weer ff goed!!:D

“Haar hele lichaam schreeuwt; houd me vast, houd me vast.” Dat is gewoon zó mooi verwoordt, dat ik er tranen van in mijn ogen krijg…:-)

Blijven vasthouden..

Avatar

lisa-marie · 11 februari 2008 op 09:51

Mooi en ontroerend neergezet. 🙂

Avatar

pepe · 11 februari 2008 op 22:27

Mooi geschreven en knap werk. Zo leren wij ook een stukje van jouw wereld kennen.

Avatar

KawaSutra · 12 februari 2008 op 21:14

Bijzonder geschreven ook.

Avatar

fjag2003 · 15 februari 2008 op 10:56

heel mooi geschreven.

Geef een antwoord