Zomaar een dagje naar de markt, maar een dag die ik nimmer zou vergeten.
Toen ik naar de stalletjes wilde lopen om mijn inkopen te doen hoorde ik achter mij op de open weg een harde knal, een gegil. Ik draaide mij verschrikt om en zag een fiets vlak voor mijn voeten liggen, althans als je dit stuk kreukijzer nog een fiets mocht noemen. De man die erop had gezeten lag wat meters verderop, bebloed. De auto die hem aangereden had maakte snel rechtsomkeer en ik noteerde direct met mijn sleutelbos waar een klein pennetje aanhangt het kenteken op mijn hand.

Ik rende met een bloedgang naar het slachtoffer, sommige mensen stonden er omheen en praatten tegen de man die alleen maar kon kreunen, ik zag dat er bloed uit zijn oren kwam, zijn ogen stonden totaal niet goed en zijn lippen waren opengesprongen. Gekreun was alles wat er doorheen kwam.

“Heeft iemand een mobiel?” riep ik terwijl ik toesnelde naar de mensen, de menigte werd groter en velen liepen gewoon foto’s te maken van die man die lag te sterven op straat. Ramptoerisme in de stad, vlak bij een drukke markt, niemand die het in zijn/haar botte hoofd haalde om de politie of een ambulance te bellen.

Uit een Turks café kwam een Turkse man die riep: “Ik heb uw police kebelt, kome so aan ja?” Ik bedankte hem met een knik en knielde bij het slachtoffer neer, deed mijn jasje uit en rolde dit op om als kussen onder zijn hoofd te dienen.

“Gaat het een beetje zo?, vroeg ik dom. Want natuurlijk gaat het niet als je overal bloed en je beide benen allerlei verkeerde kanten uitlagen, niet zoals het hoorde, als er bloed uit je oren kwam, je hoofd half open lag en je gezicht haast onherkenbaar. Die was frontaal met zijn gezicht op de voorruit van die auto geknald kon niet anders. Hoe hard had die auto dan wel niet gereden?

Ik werd ineens woedend op de omstanders die van alles adviseerde, maar tegelijk wie dan ook doorbelden met hun mobiele telefoon, sommige zelfs foto’s makende van het slachtoffer.
“Kap hier eens mee’, brulde ik woest.
“Die man ligt hier pijn te lijden en jullie maken gezellig foto’s, spannend hé!, riep ik sarcastisch.

Ondertussen bleef ik tegen het slachtoffer praten, maar al wat ik hoorde waren kreunen en steunen, hij had pijn en ik zat erbij en wist niet wat te doen. Ik had dan wel een E.H.B.O. diploma maar hier was meer voor nodig wilde deze jongeman het redden.

“Heeft er misschien een van jullie fotografen een foto van de auto gemaakt?” Ineens was het stil om mij heen, alleen het gekreun van de man klonk. Alsof de stilte een deken over de werkelijkheid heen gooide. Zij stonden elkaar aan te kijken en hoofdschuddend liepen er een paar weg. Zo die hadden in ieder geval iets om over na te denken. Leuk de telefoontjes met camera, maar als je het echt nodig hebt, vergeet je gewoon even een ontzettend belangrijke foto te maken.

De ambulance was er gelukkig snel, evenals de politie. Ik informeerde de politie en het ambulancepersoneel wat ik gezien en gehoord had, wat ik gedaan had en gaf het kenteken door aan de agenten. De man kreeg eerst een zware morfinespuit voordat hij op een brancard werd getild. De meegekomen arts knikte al van “Nee, dit is niets meer.”

Zij bedankten mij en deden hun werk, ik pakte mijn jasje op en zag dat het vol met bloed zat. Propte het in mijn boodschappentas om het thuis weg te gooien, dit zou ik nooit meer kunnen dragen omdat hier een man op had gelegen die later in het ziekenhuis zou sterven. De arts had mij al verteld dat hij dit gevecht zou verliezen maar dankte mij voor het feit dat hij niet alleen was, terwijl er zoveel mensen om hem heen stonden. Ik bleek de enige te zijn, die door de knieën was gegaan om deze man bij te staan. Ik gaf een ambulancebroeder mijn telefoonnummer van thuis omdat ik geen mobiel heb en vroeg hem of hij mij misschien op de hoogte wilde houden, temeer daar ik niet wist of hij alleen was of een vrouw of wat dan ook.

Niets is erger dan alleen te zijn op dit soort momenten. Die ramptoeristen moesten zich de ogen uit de kop schamen.
Ik ben er alleen een ding wijzer van geworden.

Denk dat ik toch maar een mobiele telefoon aanschaf, je weet maar nooit.


klapdoos

Gewoon een Amsterdamse vrouw die met een vrouw getrouwd is, ziek is, zodanig dat de neerwaartse spiraal steeds verder zakt. maar een kniesoor die daarop let. Ik lach graag, heb genoeg traantjes gelaten om mijn ziekte en nu is het tijd om via mijn nieuwe boek eens door te gaan met uit het leven te halen wat er te halen valt, zeker in een crisistijd is het de kunst om toch vrolijk te blijven. Mijn motto is dan ook: Een dag niet gelachen is zeker een dag niet geleefd.

3 reacties

SIMBA · 31 maart 2010 op 18:16

Dat passieve van mensen in dit soort situaties maakt mij ook zo boos! Héél alert van jou om dat kenteken te noteren!!!

Ontwikkeling · 31 maart 2010 op 19:25

Ik zit hier gewoon stil te zijn.
De idioterie van het hebben van de nieuwste telefoon met camerafunctie met het vreselijk verkeerde gebruik ervan. En zo gaat het dus….
Lang leve de I-phone. (een soortgelijken, soortgenoten, enzovoort). Nu nog juist gebruiken.

Heb je deze column ook naar een eventueel plaatselijk sufferdje gestuurd? Zo nee, misschien dan toch?

De titel is meer dan prima, je hebt bij deze een prima boodschap afgeleverd :wave:

Prlwytskovsky · 1 april 2010 op 17:49

Omstanders …: jepper alleen moar laas vaan.

Een mobiele telefoon, is dat een ding dat uit zichzelf voort beweegt? 🙁

Geef een antwoord