Ik geloof dus ik ben. Dat moet Fiedel gedacht hebben toen hij opstond uit de koorbank. Hij had het zo juist gezongen. Uit volle borst. Vol overtuiging rende hij naar huis en deelde zijn pas verworven wijsheid met zijn vader. Maar die moest lachen. Keihard lachen. En jij gelooft dat, dat je bent? Ik wil bewijs. Laat maar zien. Fiedel begreep er niets van. Dit antwoord had hij niet verwacht. Maar hij besloot onmiddellijk met bewijs te komen.
Thomas, verbaast en overvallen door zoonlief, kon zijn lol niet op. Jaren geleden was hij zelf op zoek gegaan naar zijn geloof. Maar hij had het nooit gevonden. In alle hoeken en gaten van zijn psyche had hij gezocht. Hoe goed hij ook zijn best had gedaan, het openbaarde zich niet. Stiekem vond hij het ook flauwekul. Wat had je nu aan geloof. Houvast? Echt niet. Veel liever zag hij de dingen zoals ze zijn. Empirisch en waar. Liefst met een waterdichte verklaring. Wetenschappelijk. Niet vaag. Een kwestie van tijd, dan zag zoonlief dat ook wel in. Zeker weten.
Fiedel besloot eerst maar eens in de boeken duiken. Of nee, toch niet, internet, dat gaat veel sneller. De Britannica staat tegenwoordig ook online en anders kon hij ook nog wel wat Wikipedia’s raadplegen. Daar had zich immers de collectieve wijsheid van Jan en alleman in verzameld. Absoluut waar. In het uiterste geval kon hij altijd nog wat goochelen op Google. Ah. Hij heeft meteen beet. Zij gelooft in mij. Kassa. Dat spreekt vertrouwen en overtuiging uit. Maar van wie komt deze wijsheid? Een zekere André. Volkszanger. Mmm … volkszangers, troubadours, moderne barden, die staan altijd in voor de waarheid. Maar daarmee is hij nog niet klaar.
Zijn vader wil ongetwijfeld meer bewijs. In zijn vaders opvatting is geloven een veronderstelling dat iets waar is of niet waar. Fiedel moet inschatten of de bewering ‘Zij gelooft in mij’ met een zekere waarschijnlijkheid waar of onwaar is. In het geval van ‘geloven’ is deze waarschijnlijkheid groter dan wanneer iemand ‘geen idee’ heeft, en kleiner dan wanneer iemand iets ‘zeker weet’. Aangezien bovengenoemde waarschijnlijkheden door individuen persoonlijk worden toegekend, is er in deze betekenis van geloven, geen zekerheid over deze kwestie. Dat is dan weer jammer.
Als Fiedel zijn bevindingen brieft aan zijn vader geeft deze op geheel eigen filosofische wijze commentaar. Luister vriend. Het begrip geloven veronderstelt een individu, degene die iets gelooft, en een onderwerp van geloof. Geloven vooronderstelt zo het bestaan van een geestelijke toestand en voorbedachtheid. Ik hang het beeld aan dat geloven tot op zekere hoogte spontaan en willekeurig is. Kun je daar iets mee?
Niet echt. Fiedel gaat verder op zoek. Op internet, spontaan en willekeurig. Hij stuit op een aantal interessante citaten over geloof en religie. Religie omdat het bijna onlosmakelijk verbonden is met geloof. Hij denkt hier wat mee te kunnen. Nu zijn vader nog, de ongelovige Thomas.
[i]Geloof is de zekerheid dat onze hoop werkelijkheid wordt en is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien (Hebreeuws)[/i]. Lekker vaag. Niet bepaald een kolfje naar de hand voor Fiedel’s vader.
[i]Wetenschap kan alleen beoefend worden door diegenen die een sterke inspiratie voelen voor waarheid en begrip. De bron van dit gevoel komt echter uit het domein van religie. Hierbij behoort ook het geloof in de mogelijkheid dat de wetten die gelden voor de wereld van het bestaan rationeel zijn, dat wil zeggen, begrijpbaar door middel van rede. Zonder dit diepe geloof kan geen zuivere wetenschap bestaan. Wetenschap zonder religie is kreupel, religie zonder wetenschap is blind (Einstein)[/i]. Een veelomvattende verklaring met een mooi citaat. Daar kan paps een puntje aan zuigen.
[i]Op de lange reis van het menselijk leven is geloof de beste compagnon. Het is de beste verfrissing tijdens de reis en het grootste bezit (Boeddha)[/i]. Tja. Geen speld tussen te krijgen. Voor paps waarschijnlijk een dooddoener. Hoewel hij over dat laatste zal twijfelen. De materialist.
[i]In de religie zoekt de mens antwoord op vragen rond bestemming, dood, leven, zin van het lijden, doel van de geschiedenis, etc. Religie biedt in deze optiek houvast en troost in een chaotische wereld. Het geeft antwoorden, hoewel geen sluitende, op de waaroms van het leven (Karen Armstrong)[/i]. Dat vindt Fiedel een mooie. Hij is verzot op de waaromvragen. Zijn vader minder. Die is namelijk altijd de klos. De eerlijkheid gebied te zeggen dat paps niet altijd het antwoord weet. Daar baalt ie dan stevig van.
[i]Geloven is zeker weten dat je twijfelt (Freek de Jonge)[/i]. Ha, ha. Op het lijf geschreven voor paps. Die houdt wel van doordachte humor. Ik geloof er niks van, zul je hem amper horen zeggen. Ik weet het zeker komt dichter in de buurt. Maar het meest twijfelt pa hardop.
[i]Religie is een illusie (Sigmund Freud)[/i]. Dat is een interessante. In zijn familie komen behoorlijk wat illusionisten voor. Dus dat moet nader onderzocht. Al gauw raakt Fiedel verwikkeld in moeilijk termen. Maar hij bijt zich er doorheen. Freud ziet religie als een manier om de werkelijkheid te beheersen door middel van het uitvinden van een perfecte wereld. In zijn visie is het idee ‘God’ een versie van het vaderbeeld en is religie in wezen infantiel en neurotisch. Freud ziet religie als een biologische en psychologische noodzakelijkheid om de contingentie van het bestaan aan te kunnen. Contingentie? Waar, maar niet noodzakelijk. Dit gaat pap’s petje te boven. Weet hij veel dat er entiteiten zijn die niet noodzakelijk bestaan of subisteren en dat er kwaliteiten zijn die niet noodzakelijk inherent zijn aan de entiteit die ze kwalificeren.
Fiedel vindt zijn zoektocht naar geloof maar moeilijk. Zal hij net als zijn vader hechten aan zekerheden of kijkt hij verder? Ieder heeft zijn eigen geloof, dat is Fiedel wel duidelijk geworden. Hij heeft zijn neus op internet flink gepoederd in theo-, socio- en psychologische geschriften en in filosofische. Alleen de literaire geschriften is hij vergeten. Dat is jammer. Want die geven juist een real life inkijk in geloof, het zij in erudiete gezangen, het zij in eenvoudige boerenpsalmen. Zodat iedereen begrijpt en gelooft. Doch niet zeker weet, want dat is pas blasé.
De wereld om ons heen gelooft. Mono, stereo en polio. Passief of belijdend. Maar waarin precies? Dat is en blijft Fiedel’s grote vraag. Een vraag naar hunkering, omgezet in dromen of een zucht naar antwoordhang in zijn. Ach. Kon hij het maar vragen, aan al die christenen, islamieten, niet-religieuzen, hindoes, boeddhisten, taoïsten, sikhs, joden, jehova’s, bahá’ís en jaïnisten. Alomvattend is hun geloof. Dat is ook het antwoord dat Fiedel tenslotte aan zijn vader geeft. Niets is zeker pa. Maar iedereen gelooft. In iets of niets. Continu en contigent. Alleen, helaas pa, ik kan het je niet bewijzen. Geloof me Thomas. Geloof me dat ik ben.

8 reacties
Spencer · 26 april 2013 op 21:01
:yes:
KingArthur · 26 april 2013 op 21:32
‘Ik denk dus ik besta’: Descartes was mijn associatie met je openingszin. Filosofische tekst en ik kan er dus ook niks op aanmerken. Persoonlijk hou ik daar erg van en boom graag met anderen over dit soort onderwerpen.
Blanchefort · 26 april 2013 op 23:45
Right on target. :yes:
Nachtzuster · 27 april 2013 op 00:45
Is dit deel 5 van 7, Harrie? Af en toe was je mij even kwijt, zeker bij de quotes, maar over het algemeen met name goed geschreven! Ik geloof niet, maar besta bij de gratie van mijn werkgever. 😉
Libelle · 27 april 2013 op 11:59
Het bestaat mij te zeggen, dat ik geloof dat jij bestaat Harrie,
geloof me.
Sagita · 28 april 2013 op 00:49
Uiteindelijk rest ons niets dan geloven ofwel daar waar het weten ophoudt begint het geloven! vrij weergegeven uitspraak van Kierkegaard.
Groet Sa!
Bitchy · 28 april 2013 op 06:25
Goed geschreven. Mijn wijze oude moeder zei *De dood en de belastingen zijn het enige wat zeker is* 😉
Harrie · 6 mei 2013 op 11:51
Bedankt voor jullie reacties. Dit is deel 5 van 7 in de serie deugden. Descartes en Kierkegaard … ? Niet de minste, gelukkig nu toch genoemd. En ja zelfs de dood is belastbaar, voor wie er in geloofd, dat is zeker. Groetjes Harrie.