Op kerstavond 2006 verbleven we in het berghuis, op Vasin Han. Er lag genoeg sneeuw op de berg om de barre omstandigheden binnenshuis te verkiezen boven de makkelijke warmte van de woning in de stad. Nina had zichzelf eerder die dag vele malen in de sneeuw gestempeld, waarna de witte hoopjes die ze mee naar binnen bracht veranderden in inktzwarte plekken. Duka mocht niet naar buiten, hij was snotverkouden.

Hoewel mijn zoon en ik de hele dag hetzelfde drein-duet hadden gezongen was mijn humeur niet kapot te krijgen, nog met geen tien zeurende kleuters. Dat was zeldzaam. Meestal is mijn humeur van porselein, en dan ben ík de olifant. Deze dag was mijn humeur van olifant.
En het porselein, dat was ik zelf dit keer. Ik voelde mij een bijna doorzichtig bouwwerk, groots in ielheid, uit letters en woorden en zinnen gebakken. Want die ochtend had ik de laatste belangrijke draai weten te geven aan mijn eerste korte verhaal en de euforie daarover voedde me de hele dag.

Tegen de avond werd ik wel moe. Maar dan was er het kerstorgaan, dat wellicht bij elke westerling wel ergens een plekje heeft. Bij mij zit het in mijn huid, dat gevoelige scherm waarop zich mijn indrukken projecteren.

Vanaf de eerste schemer begon mijn huid op te lichten. Want het was Kerstavond, we waren alleen in Sarajevo, en mijn kerstorgaan was in de war. Buiten lag ruim dertig centimeter sneeuw, het huis was meer dan romantisch, we hadden een échte houtkachel, maar wáár stond de kerstboom? En waar waren de kaarsjes? De hapjes? De lullige liedjes?
Tegen zeven uur begon het me te dagen. Wilde ik de kerst nog aan de avond breien dan moest ik dat toch echt zelf doen. Het was vast de kerstengel, dat ondeugende ding, die me net dit laatste tikje onder mijn kont gaf en ik schakelde om.

In gedachten ging ik mijn voorraden na. Meel, eieren, honderden appelen, één kaars, één spelletje, één televisie, volop vuur, en drie westerlingen in een moslim-land. Dat schoot op.
Ik besloot pannekoeken te bakken die ik met geraspte appels opleukte. Ik propte de kaars in een lege fles. Ik stookte het vuur nog eens flink op, zette het speelbord klaar en plaatste mijn bed-en- televisie-sna(c)k voorlopig in de ijskast, als toetje na de maaltijd.

Mens-erger-je-nieten. Als er één spel is waar ik mij góéd erger is het wel mens-erger-je-niet. Bij ons lijkt dit spel veel op kegelen. We hebben vierkante ballen die alle poppetjes, zonder zich om huidskleurtjes te bekommeren, keer op keer omkeilen. Ook vallen de ballen graag op de grond zodat de diepte van de buk voor het gemak maar in mijn rug blijft zitten na zo’n tien keer rapen. Verder ben ik in het gelukkige bezit van twee ongeduldige, jaloerse kinderen die elkaar de schuifpret niet gunnen. Een echt feestje dus. Maar, met wat welbewuste nalatigheid lukte het mij toch om mijn dochter vrij vlot het spel te laten winnen. Opgewekt fakete ik mijn teleurstelling.

Na het spel moest zieke zoon naar bed. Zoet liet hij zich leiden en tien minuten later sliep hij. Inmiddels was ik doodmoe, dus zette ik de t.v. aan en stapte in mijn vertrouwde slaapkuil. Onzeker draaide mijn dochter rondjes naast het bed. Ik wist wel wat ze wilde, ze droeg haar verlangen als een binnenstebuiten gekeerde jas. Ik sloeg de deken van mijn krappe cocon open en ze wist niet hoe snel ze dicht bij me moet kruipen.
Onze smaken liepen dramatisch uiteen. Moppermotjes vlogen haar in zwermen de mond uit maar de wollen warmte in haar buik vervormde het protest. Simmen werd spinnen.
Vanuit onze hoek lieten wij ons gedwee de televisie intrekken. Elke zender zoog ons verder de kerstsfeer in. De versiering die het huis en onze omstandigheden ontbeerden werd ruimschoots vergoed door programma’s met rood-groene randjes. Het westen rukt op richting Balkan, langs visuele sluiproutes.

Tegen tien uur vielen de ogen dicht. Moeizaam wurmde ik mezelf langs mijn slapende dochter het bed uit en strompelde door de kamer. Genoeg kerst voor vandaag, voor het hele jaar zelfs. Het gaatje in mijn hart was helemaal gevuld. Langzaam doofde het licht in de televisie. Scherm werd weer huid.
Ik kroop bij mijn warme dochter en sloot mijn ogen. Het zou morgenochtend vroeg maandag zijn, niks bijzonders. Want op eerste kerstdag moest Nina gewoon naar school.

Categorieën: Diversen

11 reacties

Avatar

Yannick · 28 januari 2007 op 10:05

Erg leuk geschreven, ik denk alleen dat hij beter tot zijn recht zou zijn gekomen als hij rond kerst gepubliceerd zou zijn.

Avatar

DriekOplopers · 28 januari 2007 op 10:16

Prachtig geschreven. Een ontheemde Kerst, waar je je prima doorheen hebt geslagen. Ik lees je graag!

Driek

Avatar

arta · 28 januari 2007 op 12:13

Erg mooi geschreven, en juist wel grappig dat dit niet mét kerst geplaatst is. (jij was ook kerst aan het vieren op het moment dat het dáár geen kerst was).
🙂

Avatar

WritersBlocq · 28 januari 2007 op 12:48

Schitterende titel, een schitterend geheel, fijn om te lezen.

Avatar

archangel · 28 januari 2007 op 12:59

Geinig gevonden titel(beeld). Voor de rest vind ik er van wat ik ook van je serie-column vond: gekunsteld, teveel focus op de vorm…

[quote]Ik wist wel wat ze wilde, ze droeg haar verlangen als een binnenstebuiten gekeerde jas. Ik sloeg de deken van mijn krappe cocon open en ze wist niet hoe snel ze dicht bij me moet kruipen. Onze smaken liepen dramatisch uiteen. Moppermotjes vlogen haar in zwermen de mond uit maar de wollen warmte in haar buik vervormde het protest. Simmen werd spinnen..[/quote]

… waardoor het allemaal zo klinisch en afstandelijk wordt. Dat kan je bedoeling zijn en dat mag best 😆 maar mij boeit het niet.

Avatar

SIMBA · 28 januari 2007 op 14:13

Ik vind het prachtig, ik zag het zo voor me 🙂

Avatar

pally · 28 januari 2007 op 15:24

ha Anne,

Jouw sobere niet kapot te krijgen kerstavond heel mooi beschreven. Ik weet niet waarom ik moest denken aan kerst in de oorlog ( die ik alleen van verhalen ken ).De kerstversiering wordt hier gevormd door je bijzondere schrijfwijze.
Prachtig!

groet van pally

Avatar

Anne · 28 januari 2007 op 20:18

Dank jullie wel voor de reactie, en even een extra reactie terug aan Archangel.

(Ik dacht juist dat jij zelf erg van kunstelen houdt, als ik jouw stukjes lees valt me dat als eerste op! 😉 Maar wellicht verklaart dat juist een extra kritisch oog als je dit in andere
teksten tegenkomt.)

Goed, tot zover het steekje onder water. De waarheid is natuurlijk dat ik erg getroffen ben door je kritiek, vooral de ver/vooronderstelling dat mijn schrijfprodukten teveel vanuit vormzorg geschreven zijn en daardoor klinisch en afstandelijk worden, wat mischien mijn bedoeling zou kunnen zijn. Dat raakt een teer punt omdat ik inderdaad een erg afstandelijk persoon ben. Maar goed, ik ga daar hier niet verder op in, dat is me veel te klef :-D.

Hoe dan ook, je hebt me stevig aan het denken gezet, ik zal me eens diep in de materie storten.

Avatar

pepe · 29 januari 2007 op 09:01

Ik blijf gewoon fan van dit soort stukjes, jouw improvisatievermogen ligt hoog. Mooi hoe je van weinig iets moois kan maken. Prachtig.

Avatar

Mosje · 29 januari 2007 op 11:51

Nou, in tegenstelling tot Archangel vind ik de vorm juist niet “afstandelijk” werken. Integendeel zelfs.

Wel bevat het verhaaltje, en zeker het door Archangel gequote stukje, veel beeldspraak. Een beetje teveel naar mijn smaak, maar daar kun je over twisten.
Zin in een dansje Anne?

Avatar

WritersBlocq · 29 januari 2007 op 20:03

Kunstel of kunstel niet, maar ga gewoon door met jouw ding, en denk ajb niet teveel na. Ik hou er wel van, zo’n sausje beeldspraken en metaforen (maar dat is geen nieuws). Wel moet je er de bui voor hebben om het tot je te nemen, tenminste, dat geldt voor mij.

Geef een antwoord