Langzaam loopt Nettie een rondje om de auto, werpt nog een laatste blik op de zwaar beschadigde neus en verfrommelde motorkap en komt hoofdschuddend naar ons huis gelopen. Ze kijkt mijn kant op, ziet de vitrage waarlangs ik gluur bewegen en ik heb het gevoel in ijspegels te worden ondergedompeld. Ik krimp ineen, duik weg onder mijn warme dekentje, veilige verscholen achter de rugleuning van de bank. Ik wacht op haar binnenkomst, terwijl elke tik van de klok een miljard jaar lijkt te duren. Dan gaat de kamerdeur open en als de rust zelve neemt ze zwijgend plaats in de stoel tegenover mijn “bed”. We staren elkaar aan. In haar ogen zie ik iets dat ik nooit eerder heb gezien. Tijd om erover na te denken heb ik niet, ik staar slechts terug, bang voor wat er komen gaat. Kan ze de waarheid in mijn ogen lezen? Ik hoop van niet.
‘Dat je moest overwerken was een smoes. Een leugen. Je eigen baas belachelijk maken, doen alsof ze een tiran is, daar wil ik het niet eens over hebben.’ Ik knik, durf niets te ontkennen. Wat heeft de eigenaar van die wasstraat haar over de telefoon verteld? Ik weet het niet, maar vrees het ergste. ‘Ik had het kunnen weten,’ vervolgt ze haar preek, ‘en onbewust wist ik het ook, probeerde ik het weg te stoppen. Alleen al de manier waarop je thuiskwam. De schichtige blik in je ogen. Je verfomfaaide kleren. Je verwaaide uiterlijk. Wat heb je uitgespookt?’

Ik dwaal in ondoorgrondelijke mist. Zonder een idee te hebben wat ze wel en niet weet moet ik proberen mezelf vrij te pleiten. Ik besluit vooralsnog niet te liegen. Vertel haar dat ik in een vlaag van verstandsverbijstering een ruk aan het stuur gaf en zo het kantoortje indook. Dat ik in paniek de auto uitsprong, de tropische atmosfeer van de wasstraat in. Thuis aangekomen durfde ik niets van dit alles tegen haar te zeggen. Klinkt aannemelijk. Het is niet het hele verhaal, maar wel waar.
Ze staart mij onbewogen aan en haar ogen lijken de rest van het verhaal uit mij te willen zuigen. Gelooft ze mij? Of weet ze welke afschuwelijke waarheid ik voor haar verzwijg. Ze verbreekt de dodelijke stilte, zegt iets dat mijn hart doet samentrekken: ‘Je wilde iets uit de auto pakken en komt voor de deur die vrouw tegen, raakt daar betrokken in een duister zaakje. Het was mij tot enkele minuten geleden ontschoten, vast door de shock van vanavond, maar was er niet heel toevallig vlak voordat je het huis verliet aangebeld door dezelfde vrouw? Die zogenaamde verkoopster. Ga je nu liegen door mij te vertellen dat dit allemaal één groot toeval is?’

Ik staar haar aan, mijn ogen groot door blinde paniek die diep vanuit mijn binnenste omhoog stroomt en bezit neemt van mijn lichaam. Mijn gezicht verstrakt en ik lijk uit mijn lichaam te treden, voel mij toeschouwer van mijn eigen drama. Ik zie alles als vanachter dik glas en het dringt vaag tot mij door dat ik verval in oneliners uit een slechte soap. ‘Het stelde niets voor… Het was eenmalig… Ik hou alleen van jou…’
Haar ogen veranderen in uitgeblazen kaarsen die nog wat nagloeien. Twee fier brandende vlammen die zomaar veranderen in nietige lichtpuntjes en definitief dreigen te doven. Ik wil wat zeggen maar kan geen woorden vinden. Ze is me voor.
‘Hoe heet ze?’
Ik haal mijn schouders op en voel mij dom.

‘Het is beter dat je vertrekt. Nu meteen.’
‘Ik?’ mompel ik perplex. ‘Waarom? Waarheen?’
‘Morgen als ik wakker word wil ik je hier niet meer zien.’
Ze staat op en loopt met rechte rug, haar vuisten gebald en haar hoofd een tikje opgeheven de kamer uit.


Kees

Zelfstandig schrijver en fotograaf

1 reactie

Wentelteef · 20 februari 2003 op 14:44

Hallo Kees,
Ik ben echt benieuwd naar je volgende columns
Geweldig om te lezen.

dag, Wentelteef

Geef een reactie