We vinden de Patersweg. En het huis van oom Albert, dat zodanig is verbouwd dat ik het niet meer herken. Het pand lijkt nu inderdaad meer op Villa Kakelbont. Op de parkeerplaats staat een patserige bolide. “Die kan nooit van Albert zijn,” beweer ik. We lopen naar de voordeur. “Het lijkt wel een bordeel,” fluistert Sylvia. Ik druk op de deurbel en oom Albert doet gelijk open, alsof hij ons verwacht. “We zitten vol,” blaft hij. Vervolgens kijkt hij aandachtiger en herkent mij. “Thomas! Dat is lang geleden jongen, kom binnen.” Pas dan krijgt hij Sylvia in beeld. “Goeiendag! De Venus van Botticelli zelf. Eindelijk! Kom binnen, kom binnen.” Sylvia en ik kijken elkaar nog even vorsend aan, voordat we de Villa binnenstappen.

In de hal hangt een grote reproductie van de Venus van Botticelli aan de muur en inderdaad, Sylvia heeft er wel iets van weg. “Zelf geschilderd,” pocht Albert. We drinken koffie in de keuken van Villa Kakelbont en hebben het over vroeger. Dan vertel ik oom Albert over de ontmoeting met de man op het terras en zijn opmerking tegen Sylvia. Dat ze beter niet mee kon gaan hier naartoe. “Tja, wat zal ik zeggen?” begint Albert. “Met schilderen kan ik het hier niet meer verdienen. Echt niet. Daarom verhuur ik enkele kamertjes aan dames die graag onder de mensen komen, zoals dat zo mooi heet. Mannen of vrouwen, dat maakt ze trouwens niets uit. Als het maar schuift. De schoorsteen moet roken, niet? En voor mij brengt het lekker wat extra geld in het laatje.”

Meteen komt er een schaars geklede dame de keuken binnengewandeld. Een minuscuul slipje en een topje dat met moeite haar borsten in toom weet te houden, laten praktisch niets aan de verbeelding over. “Daar heb je onze Donna,” kondigt Albert aan. Zonder acht op ons te slaan steekt Donna van wal: “Albert, kan jij een briefje van 250 kapotslaan? Die gozer daaro heeft niet gepast.” “Kan hij niet pinnen?” vraag ik belangstellend. “Jawel. Hij heeft mij zojuist nog gepind, maar nu wil die lul cash afrekenen,” kaatst het meisje de bal terug. Sylvia stoot mij aan. Albert graait een bundel bankbiljetten uit zijn eigen zak en geeft het stapeltje aan de dame. Het meisje verlaat de keuken. Even later zien we vanuit het keukenraam de bolide van de parkeerplaats wegscheuren. “Allemaal op afspraak hier,” vervolgt Albert. “En soms verkoop ik nog wel eens een schilderij. Als het uitkomt leg ik de dames op hun voordeligst vast op canvas, in allerlei standjes en die doeken hang ik dan op in de peeskamertjes. Vinden de cliënten leuk. Voor thuis, denk ik. Zo kan ik het een beetje redden. Maar al bij al valt het echt niet mee in het artiestenleven. Wat jij Thomas? Jij zit toch in de muziek?” Ik kan het enkel beamen. In de muziekbusiness is het geen vetpot. Je doet het met hart en ziel en veel plezier, maar rijk wordt je er niet van. “En toch! Ik zou het voor geen goud willen missen. Soms heb je van die momenten dat alles klopt,” besluit ik. “Zo is dat. Daar moet op gedronken worden,” vult oom Albert aan, loopt naar de koelkast voor een lekker koel biertje en we proosten. “Op de momenten dat alles klopt.” Subiet komt er weer een meisje binnengewandeld, gehuld in een doorzichtig negligé en ook niet meer dan dat.


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

Geef een reactie