Ongedurig loop ik heen en weer, van de gang naar de keuken en weer terug. Zo vroeg in de morgen lijkt de hele wereld van de vogels, heel af en toe wordt hun gekwetter en gezang onderbroken door het geluid van een auto die de straat in rijdt. Dan kijk ik hoopvol even door de openstaande deur. Is hij daar eindelijk? Teleurgesteld plof ik met een onprettig gevoel terug op de biezen keukenstoel en steek nog een sigaret op. Ik tel twaalf peuken in de asbak. Met mijn wijsvinger teken ik zenuwachtig over de houtnerf van de ovale eiken tafel en met mijn ogen volg ik de rook-kringetjes, die naarmate ze hoger komen vervagen tot ze er niet meer zijn. Er ritselt een nachtvlinder tegen de lamp aan het plafond. Met een korte blik opzij kijk ik op de klok, vijf uur, het is inmiddels al anderhalf uur geleden dat ik nat en klam van het zweet wakker werd en zag dat de plek naast mij in bed leeg en onbeslapen was.

In de hoek boven de deur van de kast beweegt een spin in zijn web. Met een aantal snelle handelingen rolt hij zijn zojuist gevangen prooi tot een mooi grijs pakje. Gewapend met een lucifers-stokje ga ik er op af en terwijl de spin een veilig heenkomen zoekt in een kier naast het kozijn, haal ik hiermee heel voorzichtig het pakje uit het web. Terug aan tafel peuter ik met de nagels van mijn vingers het pakje zachtjes open, net zolang tot ik het insect uit zijn benarde situatie heb bevrijd. Het is een pissebed. Hij leeft nog. Voorzichtig zet ik hem op de plavuizen vloer en met een kleine tik van mijn vinger schuif ik het diertje in de donkere ruimte onder de kast.

Ik hoor het piepen van het tuinhek en naderende voetstappen op het pad. Een moment later staat hij voor me. Met knikkende knieën sta ik trillend op en kijk in de vrolijke bruine ogen van zijn lachende gezicht. Hij pakt mijn beide handen en trekt mij zachtjes naar zich toe, geeft kusjes over mijn hele gezicht en zijn vingers gaan teder door mijn haar. Ik laat mijn armen slap langs mijn lichaam hangen als hij mij met zijn handen op mijn heupen nog dichter bij zich trekt en fluistert: “sorry, overwerk, daarna nog even doorzakken met de collega’s.“ “Geeft niet,“ zeg ik, terwijl ik probeer te glimlachen. “Je bent er nu toch.“ Maar ik weet, ik voel en ik ruik het, hij was bij………. Haar.

Categorieën: Liefde

6 reacties

Avatar

Quinn · 9 juli 2007 op 17:14

Mooi, verrassend en subtiel.

Avatar

Li · 9 juli 2007 op 18:14

Je weet de spanning goed op te bouwen.

[quote]Ik laat mijn armen slap langs mijn lichaam hangen als hij mij met zijn handen op mijn heupen nog dichter bij zich trekt en fluistert:[/quote]

Tsss, en niet eens vragen waarom je wakker bent.:-x

Avatar

arta · 9 juli 2007 op 18:16

Mooi, gedetailleerd beschreven, Lagarto.
Mooie titel, was hij ook bedoeld als metafoor voor de man? 😉

Avatar

lisa-marie · 10 juli 2007 op 09:25

Mooi. 🙂
En sterk opgebouwd tot het laatste moment kan je de spanning voelen en niet alleen de spanning maar ook de emotie.

Avatar

KawaSutra · 10 juli 2007 op 10:58

Onderkruipsels heb je in allerlei soorten en maten, dat blijkt maar weer.

Avatar

pepe · 30 juli 2007 op 08:41

Bijzonder knap opgebouwd.
Mooie zinnen.

Geef een antwoord