Schepsels van God

Met een ferme zwaai smijt de verkoper de kooien op de handkar naast de kraam. Vloekend draait hij zich om. Op de grond staat de laatste. “Moet ik jou nou nog een keer mee naar huis nemen”. Hij geeft de gammele kooi een rotschop. De hond jankt. De kooi rolt een paar keer over de kop, komt met klap tegen de kar tot stilstand en breekt open. In een oogwenk wurmt het magere dier zich vrij en rent zo snel als de wind met zijn staart tussen zijn poten ervandoor. “Ren maar”, bromt de man hem na. “Er is toch niemand die zo’n scharminkel wil. Geen vlees om van te eten, geen vet om van te braden”.

De kier

Vijf boerenkarren staan in het hoge door de zon geelgebrande gras. Sommige tot hun as weggezakt in de grond. De metalen onderdelen zijn roestig en het ooit groengeschilderde hout is grotendeels vergaan. Aan de rand van het erf werpen populieren langgerekte schaduwen over de oude schuur. Klimop groeit over de muren en ook het doorgezakte met rode pannen bedekte dak raakt al gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. De deur hangt scheef in zijn scharnieren en omdat de toegang dichtgegroeid is met brandnetels en ander onkruid, gaat hij niet ver open. Alleen door een kier kun je naar binnen kijken. Door de vele gaten van de gebroken dakpannen schijnen honderden kleine lichtstraaltjes naar binnen.

Ziende blind

Ik sta voor mijn winkel in de Dorpsstraat . met mijn gezicht naar de zon. Één hand onder mijn oksel en de ander onder mijn kin. Mijn werk is nog niet klaar maar dat interesseert mij niet. Rustig kijk ik rond en zie mevrouw Bos op de fiets. Ik roep ‘dahaag’ en steek mijn hand naar haar op. Ze kijkt niet op of om. Dan zie ik een auto. Mevrouw Tolhoek, ook een klant van mij, zit achter het stuur. Ik glimlach en zwaai vriendelijk naar haar. Ze kijkt links, ze kijkt rechts en slaat vlak voor mijn neus af, maar groet mij niet.

Ogen dicht en mondje open.

Schaduwen van boombladeren dansen boven mijn hoofd op de witgeschilderde muur. Hun bewegingen lijken beperkt, ritmisch en willekeurig tegelijk. Bij het ademen merk ik de koelte van de zomerochtendlucht en ik ruik een vleugje brandend hout. De bloemen van het vingerhoedskruid bewegen in de wind, net als mijn shirt. De zon verwarmt de huid van mijn blote armen. Ik loop door de poort en sta plotseling op straat. Verwonderd kijk ik om mij heen.

Stadse fratsen

“Hé, Niek, jie bin te leat,” roept de eigenaar van de dorpssuper aan de overkant. De kersverse ondernemer knikt verlegen terug. Er heeft zich een groepje klanten met tassen vol boodschappen op de stoep van de kruidenier verzameld, er wordt gelachen en gesmoesd. Met een krat bier in zijn handen en een brede glimlach op zijn gezicht, doet de collega winkelier er nog een schepje bovenop, als hij in onvervalst Zeeuws naar hem roept:
”Je vrouwe lag zeker op jun hemde?” De verzamelde dorpelingen vinden het een goeie en lachen met hem mee.

Zeeminman

Het duingras wuift en knikt instemmend. De wind strooit kleine korrels zand als confetti over haar naakte witte lichaam. Zij houdt haar vinger voor mijn lippen en ik kijk in haar ogen, hoor haar adem en in de verte die van de zee. Steeds opnieuw beginnend zonder eind.

Matglas (slot)

Op school wil het niet lukken. Hij kan zich niet concentreren. Zijn hoofd zit vol gedachten, vragen en verlangen. Na het vijfde lesuur houdt hij het voor gezien. Met kloppend hart zoekt hij de straat op waar ze woont. Hij kan het makkelijk vinden en zet zijn fiets tegen haar raam. Er brand licht. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat de deur eindelijk opengaat. Een paar vermoeide ogen kijken hem aan. Zonder een woord te zeggen draait ze om en laat de deur achter zich openstaan. Aarzelend loopt Kevin achter haar aan de kamer in. Ze gaat zitten, met opgetrokken knieën in een hoekje van haar bed.

Matglas (deel 1)

Met veel kabaal rennen een aantal jongens over het perron. Ze roepen en dollen en slaan elkaar met hun volle weekendtassen. Aangekomen in de grote centrale hal zetten zij hun bagage naast zich neer en in een kring praten en lachen ze nog wat na. Ze besluiten nog een biertje te gaan drinken in het studentencafé ‘De Egelantier’.
‘Kevin, ouwe studiebol, ga je ook nog even mee? Het zijn toch de laatste weken joh, het gaat nergens meer over.’ Verlegen kijkt Kevin naar de grond en schudt zijn hoofd. De jongens maken een wegwerpgebaar, pakken hun spullen op en lopen luidruchtig de monumentale trappen van het station op naar buiten.

Shit onderzoek

Johan Cruijff, een beroemde voetballer ‘wie’ ook bekend staat om zijn bijzondere uitspraken, heeft eens gezegd:
“Ieder nadeel hept ook ze voordeel.”

Vandaag is het niet zo druk in mijn winkel. Dat is aan de ene kant jammer, want ik hoor zo graag het “tinggg” geluid iedere keer als de la van de kassa opengaat. Aan de andere kant schiet ik lekker op met mijn reparaties en opdrachten en kan ik ondertussen naar de radio luisteren.

Inkt

Een koele ochtendbries streelt mijn gezicht als ik slaperig mijn hoofd naar buiten steek. Geschrokken verlaat een spin haar met glanzende dauwparels behangen web en zoekt haastig een veilig heenkomen achter de loshangende verfbladders van het kozijn.

Un fiu

[i]Joppet is zijn naam. Tenminste, zo noemt hij zichzelf, als hij leert spreken.[/i]

[i]Mijn kleine jongen niemandsverdriet.[/i]
[i]Draait aan de knoppen van de radio,[/i]
[i]als hij denkt dat niemand het ziet.[/i]

Panta Rhei

Ik neem plaats op de laatste lege stoel. Tevreden wrijf ik met de punt van mijn hemd de regendruppels van mijn bril. Als ik hem weer opzet kijk ik tegen een streep blote damesbuik.
Mijn blik glijdt over een zwart T-shirt en een stalen dienblad omhoog. Terwijl ze met een doek mijn tafeltje schoonveegt kijkt ze mij vriendelijk aan.