Verbijsterd sta ik om me heen te kijken. Wat is er zojuist gebeurd? Hebben ze me echt het tehuis uit gegooid? Waarom? Ik snap het niet. Links en rechts van me lopen andere bezoekers het gebouw in. Ze bekijken me met argusogen. Ik ben blijkbaar gebombardeerd tot gevaarlijk sujet. Als de situatie niet zo vreemd was, zou ik er om moeten lachen. Ik, Rachel van Zanten, tweeëndertig jaar, alleenstaande moeder, wordt door beveiligers nauwlettend in de gaten gehouden. Beveiligers van een verzorgingstehuis nota bene. Te zot om om te lachen. Het deugt niet.
Ik haal diep adem, steek mijn kin vooruit en loop het gebouw weer in. Het maakt me niet uit hoe lastig het wordt, ik moet terug naar mijn vader, ik kan hem hier niet alleen laten.
‘Mevrouw, we mogen u niet binnen laten.’
‘Dat kan me niet schelen,’ zeg ik hooghartig. ‘Mijn vader ligt hier, ik moet naar hem toe.’
‘Vandaag niet, mevrouw, we hebben opdracht gekregen u niet meer binnen te laten.’
De beveiliger kijkt me nors aan. Het is duidelijk dat hij veel uren in de sportschool doorbrengt. Zijn gedrag is intimiderend en hij voelt zich blijkbaar erg belangrijk. Hij gedraagt zich als een uitsmijter. Macho. Als hij niet zo vet zou zijn, zou het mijn type kunnen zijn.
Ik zucht. ‘Alleen maar omdat ik gevraagd heb de status van mijn vader te mogen zien? Dat is belachelijk.’
‘Wij hebben onze orders, mevrouw.’
‘Dan wil ik degene spreken die hier de baas is. Dan moet die het me maar uitleggen.’
Ik ga zitten op het bankje, dat recht tegenover de balie staat en observeer ze. Ze zitten achter een lichte balie, vriendelijk en uitnodigend door de verse snijbloemen die er op staan. Achter de balie is een glazen deur naar een klein kantoor, waar nog een beveiliger zit. Pas nu realiseer ik me hoe bijzonder het is, dat er drie beveiligers zijn. Waarom zijn er in een verzorgingstehuis zoveel beveiligers nodig? Zo te zien zitten de stoere mannen wel met mij in hun maag. Eerst negeren ze me. Daarna overleggen ze, terwijl ze naar me blijven kijken. Daarna proberen ze me nogmaals te negeren. Pas daarna loopt een van hen het kantoortje in om met de derde man te overleggen. Die bekijkt me van een afstand en pakt dan de telefoon.
Ik kijk geïnteresseerd toe en wacht. Dertig minuten later is er nog niets veranderd aan mijn situatie. Ik word bekeken door de mannen achter de balie en ik bekijk hen. Het leidt nergens toe. Mijn gedachten dwalen af naar mijn vader. Hoe zou het met hem gaan? Zou hij al wakker zijn? We zijn nooit erg dik met elkaar geweest, zeker de laatste jaren niet. Toch is er die band die er voor zorgt dat ik nu naar hem toe moet. Zou dat simpelweg de bloedband zijn?
Een ouder stel, hij gekleed in korte broek en gestreept poloshirt, zij in een gele zomerjurk, wendt zich tot de balie. Ik kan niet verstaan wat ze vragen, blijkbaar is het ingewikkeld. De mannen buigen zich gezamenlijk naar een monitor. Ze staren en klikken. Ik wacht niet tot ze het antwoord gevonden hebben. Zonder op of om te kijken, sta ik op en loop verder het tehuis in. De glazen deur, die niet vanzelf opengaat voor bezoekers die naar binnen willen, maar wel voor mensen die naar buiten willen, opent zich voor een groepje ernstig kijkende tieners. Ik glip naar binnen en stap in de lift, die nog beneden staat. Voor er iemand achter me aan kan lopen, ben ik uit het zicht van de beveiligers. Ik sluit mijn ogen en zucht opgelucht. De tijd die nodig is om met de lift omhoog te gaan, gebruik ik om te ontspannen en mijn ademhaling weer tot rust te laten komen. Ik stap twee verdiepingen te hoog uit en loop met de trap naar beneden naar de afdeling waar pa ligt.
De gang is leeg. Niemand ziet me als ik zachtjes de kamerdeur open en naar binnen glip. Het ruikt er naar een niet voldoende geventileerd washok. Ik schuif een van de gordijnen opzij en open het raam. Met diepe teugen adem ik de frisse lucht in. Daarna schuif ik de stoel naast het bed en pak zijn hand vast. Zachtjes streel ik die.
‘Het komt goed, pa. Ik ben er weer en ik ga voorlopig niet weg.’


Lianne

Ik ben een enthousiast schrijfster van fictie. Voel me nog beginnend, schrijf korte verhalen in allerlei genres, maar altijd met aandacht voor de mens achter het verhaal. liannehartman.wordpress.com

5 reacties

Esther Suzanna · 23 juli 2018 op 17:53

Spannend! Het blijft elke keer weer verrassend wat we los van elkaar verzinnen, al is er natuurlijk ook intensief overleg. Heerlijk, dat schrijven samen met jou… 🙂

    Lianne · 25 juli 2018 op 21:07

    Dank je, Es. We overleggen veel, maar doen toch echt elk ons eigen ding. Elke keer als ik een nieuw hoofdstuk van je lees, ben ik weer blij en verrast. En trots dat ik het volgende hoofdstuk weer mag bedenken. 🙂

Nummer 22 · 25 juli 2018 op 06:26

Er is tijd om verloren jaren in te halen.

Nummer 22 · 25 juli 2018 op 06:46

Wat doen die tieners daar? Neem ons mee en schrijf nog krachtiger wat je ziet, hoort, voelt proeft, ruik.

Voorbeeldje
‘ ik ruik de geur van verband en medicijnen. De rammelde karretjes verstoren de stilte. Ik hoor snelle voetstappen die naar een kamer gaan, een deur valt hard dicht en nog meer rennende voetstappen gaan over de gladde geboonde vloeren. Plotseling een gil, angstaanjagend. Ik gluur om de hoek van de deur en zie dat er verderop in de gang een witte jas op de grond ligt. Het been eronder staat in een vreemde hoek. Gevloek en getier, een zuster die vraagt’ kalm nou Harry, volgens mij heb je een dubbele beenfractuur. Ik zal een brancard laten komen. Je gaat naar de begane grond hiernaast ons gebouw. Eerste hulp! Ik bel ze wel even dat je komt. Hou nu op met jammeren, wees een kerel! Jij met jouw Crocs en rennen… ! Rennen doen we hier nooit.

Et cetera et cetera

    Lianne · 25 juli 2018 op 21:02

    Jij schrijft duidelijk niet over het verzorgingshuis waar Peter verblijft. 😉 Maar wel mooi zintuiglijk geschreven, het maakt me nieuwsgierig naar de rest van het verhaal.

    Het is niet helemaal mijn schrijfstijl, maar wat zintuiglijker kan zeker geen kwaad. Ik ga daar mijn best op doen, dank je voor de tip.

Geef een reactie