Ik voel hoe de aversie van pa de kamer vult. De lucht wordt zwaar en bedompt, ondanks het openstaande raam. Hij kijkt me smekend aan. De zuster wil hem in bed tillen, als ik haar haar gang laat gaan, gaat ze zo weer een spuit in zijn been zetten.
‘Hou op,’ schreeuw ik tegen haar. ‘Mijn vader zegt toch dat hij niet moe is. Hij is net pas wakker, laat hem met rust.’
De zuster draait haar hoofd naar me toe en kijkt me arrogant aan. ‘U moet zich er niet mee bemoeien, u bent hier niet de zuster.’
‘Nee, ik ben de dochter. En hij,’ zeg ik, terwijl ik naar mijn vader wijs, ‘hij is de patiënt. En als hij zich tegen uw behandeling verzet, moet u zich daar aan houden. Het is geen oude demente man, waarmee je kunt sollen zoals je zelf wilt.’ Ik merk dat ik haar ben gaan tutoyeren. ‘Ik weet niet wat jullie met mijn vader uitgespookt hebben en blijkbaar mag ik dat ook niet weten, maar veel goeds is het niet.’ Ik wijs naar het dienblad. ‘Ik heb zelf eten voor hem gemaakt, hij had enorme trek en kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst iets gehad had. Wanneer hebben jullie hem voor het laatst eten gebracht? Vandaag, gisteren, of al langer geleden?’
De zuster staart me aan en hakkelt: ‘dat moet ik nakijken, dat weet ik niet.’ Na deze woorden recht ze haar rug en kijkt me weer vol zelfvertrouwen aan. ‘Uw vader sliep en wilde niet wakker worden. Dat gebeurt vaker bij dementie, slaap is veilig en vertrouwd. Zodra de wakkere wereld weer wordt toegelaten in hun hoofd, weten ze niet meer wat echt is en raken ze steeds verwarder. En zoals u heeft kunnen merken, is uw vader al behoorlijk ver heen.’
‘Mens, klets niet,’ zeg ik geïrriteerd. ‘Mijn vader sliep omdat jullie hem hadden plat gespoten. Vergeet niet dat ik er gisteren bij was, toen jullie hem de spuit in het been ramden.’Ik kijk mijn vader aan en zie hoe zijn ogen oplettend van de een naar de ander gaan. ‘En dan nog wat: mijn vader is niet dement. En waar zijn zijn spullen eigenlijk? Zijn telefoon en zijn portefeuille? En hoe zijn de praktische zaken rond zijn verblijf hier geregeld? Wie doet er bijvoorbeeld zijn was?’ Een voor een trek ik de laden van alle ladekasten open. Daarna open ik de deuren van de kledingkast. Behalve een kleine bijbel, ligt er nergens meer dan wat stofvlokken.
‘Mevrouw, ik heb u al verteld dat ik u dat soort zaken niet mag vertellen. Daarvoor heeft uw vader geen toestemming gegeven.’ Ze klink ongeduldig, alsof ze tegen een klein kind praat.
Ik kijk mijn vader vragend aan. ‘Blijkbaar heb je geen toestemming gegeven. Geef je die nu?’
Zijn blik blijft nadenkend op mij rusten. Hij lijkt me te peilen en zich af te vragen of hij me echt kan vertrouwen. Waarom toch elke keer weer die twijfel? De irritatie zorgt ervoor dat ik mijn voorhoofd frons en mijn lippen tuit. Zijn ogen verzachten.
‘Je lijkt echt precies op mama. Zij kijkt me ook zo aan, als ik te laat thuis ben uit het Honk.’
‘Ziet u nu, uw vader leeft in het verleden, hij is dement.’ De zuster perst haar lippen op elkaar.
Geïrriteerd kijk ik haar aan. ‘Mijn vader is niet dement. Ik snap het ook niet, maar hij is niet dement.’
‘In elk geval heeft hij nu zijn rust nodig en moet u vertrekken. Het bezoekuur is voorbij.’
‘Ik ga nergens heen,’ zeg ik en laat me in de stoel vallen. ‘Als je me weg wilt hebben, zul je de beveiliging moeten bellen. Dan kunnen zij me weer het gebouw uit gooien. Maar ik kan je verzekeren dat ik dan de politie bel, en de krant. En dat wil je vast niet.’ De zuster aarzelt enkele tellen. ‘Mijn vader bepaalt zelf of je hem nu in bed mag helpen. En ik bepaal dat ik hier blijf. We zijn allebei volwassenen met rechten.’
Ik kijk snel even naar mijn vader, daarna richt ik mijn aandacht weer op het monster in de te strakke witte jurk. Zag ik nou echt trots op mijn vaders gezicht? Sinds de geboorte van Joey is hij niet meer trots op me geweest. Als ik weer naar hem kijk, is zijn blik neutraal en steekt de vertwijfeling weer de kop op. Ik heb het vast verkeerd gezien.
‘Dus zeg het maar, pa,’ zeg ik snel, om de onrust in mijn hoofd de kop in te drukken. ‘Wil je dat deze zuster je in bed helpt?Of blijf je in de rolstoel zitten?’
Hij kijkt me verrast aan, alsof hij verbaasd is dat hij zelf iets in te brengen heeft. Daarna kijkt hij de zuster aan en zegt beleefd. ‘Ik zit hier goed, u hoeft me niet naar bed te brengen.’ Ik zie de twinkeling in zijn ogen als hij verdergaat. ‘Ik heb trouwens al een vriendinnetje.’
‘Je hoort het,’ zeg ik resoluut. ‘wij blijven hier nog een poosje zitten praten. Als hij moe is, help ik hem straks in bed.’ Ik zie hoe pa me verontwaardigd aankijkt. ‘Als het nodig is,’ vervolg ik terwijl ik naar hem knik. ‘Hij is verrassend handig met de rolstoel.’
De zuster kijkt van de een naar de ander en aarzelt duidelijk.
‘O ja, zou je ons wat eten kunnen brengen? Mijn vader heeft enorme trek en ik lust zelf ondertussen ook wel wat.’
Geërgerd loopt de zuster de kamer uit en slaat de deur achter zich dicht. Opgelucht begin ik te giechelen.
‘Het is niet grappig,’ zegt pa geïrriteerd.
‘Nee, je hebt gelijk, sorry.’ Ik sluit mijn ogen enkele seconden tot ik voel dat mijn hartslag weer normaal is. ‘Ik ga nu eerst Joey bellen, dat ik vannacht bij jou blijf.’
‘Is Joey je man?’ vraagt hij onzeker, terwijl ik met de telefoon aan mijn oor zit te wachten.
Verbouwereerd kijk ik hem aan, ik voel de tranen dringen. ‘Joey is mijn zoon, je kleinzoon.’
Weer zie ik de vertwijfeling in zijn ogen. Ik spreek een boodschap in op de voicemail en richt me dan weer tot mijn vader.
‘Ik weet niet wat ze hier met je doen, maar het deugt niet. Je kunt hier niet blijven, misschien kunnen ze je overplaatsen naar een ander tehuis. Ik ga straks wel even bellen.’
‘Kunnen we ook Brigit nog een keer proberen te bellen?’
Verbaasd kijk ik hem aan. ‘Als dat belangrijk voor je is, kunnen we dat wel proberen. Misschien dat ze vanavond thuis is.’


Lianne

Ik ben een enthousiast schrijfster van fictie. Voel me nog beginnend, schrijf korte verhalen in allerlei genres, maar altijd met aandacht voor de mens achter het verhaal. liannehartman.wordpress.com

0 reacties

Geef een reactie