Het was juni 1984. De hele school verzamelde zich bij het naburige sportveld. Zoals elk jaar was er voor alle scholieren weer een Sport dag georganiseerd. Gezamenlijk met mijn klasgenoten stond ik bij de atletiekbaan te wachten tot de dag van start zou gaan. We moesten hardlopen.

Mijn tegenstander was Astrid, net zoals de afgelopen 2 jaar. Het lot had bepaald dat wij elkanders tegenstander zouden zijn, doordat onze namen toevallig begonnen met dezelfde letter van het alfabet. Terwijl we stonden te wachten werd ik zoals gebruikelijk door de rest van de klas genegeerd.  Rillend van spanning stond ik te kijken naar de andere deelnemers die achter elkaar van start gingen.

Opeens voelde ik een aanwezigheid achter me. Ik draaide me een halve slag naar opzij en zag Astrid verlegen naar me kijken. Haar ogen staarden angstig in de mijne. Ik trok mijn wenkbrauwen op en wachtte verwonderd af wat er komen zou.  Ik was verbaasd dat ze de moed gevonden had om me aan te spreken, want daar stond in de klas de doodstraf op.

Colle was vergiftigd tenslotte. “Als wij moeten rennen straks,” begon ze bedeesd, “wil jij me dan alsjeblieft laten winnen.” Handenwringend stond ze voor me. Aha, dacht ik, daar komt de aap uit de mouw.

Net zoals Astrid rende ik heel onhandig met de knieën naar binnen gedraaid en de kont  uitstekend naar buiten. Het geval was alleen dat zij nog slechter vooruit kon komen dan ik. Vandaar de paniek. Zij wilde geen gezichtsverlies lijden. “Ik weet het niet,” antwoordde ik kil, “het is nog maar de vraag of ik van jou zal kunnen winnen.” Ik krabde met een kort lachje op mijn achterhoofd. “En zelfs dan weet ik het niet. ” Ze begon zenuwachtig om zich heen te gluren. Ze stond eigenlijk al te lang met mij te praten en niemand mocht het zien.

“Alsjeblieft,” zei ze smekend, ” want als ik verlies word ik gepest, dat weet ik zeker.” Rillend draaide ze zich van mij af. Ik was sprakeloos.  ZIJ wilde niet gepest worden? En ik dan? Maar ergens begreep ik haar en ook haar angst als geen ander.

Wie kon dat beter begrijpen dan ik? Degene die achtervolgd werd door groepjes joelende kinderen na schooltijd, die alleen in een hoekje stond in de schaduwen van het schoolplein. Die niemand had om mee te praten of iemand om iets mee te delen.

Zuchtend liep ik met Astrid naar de startblokken. Mijn klasgenoten waren door het dolle heen. “Hup Astrid, van die slome kun je makkelijk winnen!”schreeuwde Petertje. Astrid probeerde angstig oogcontact te maken. Ik heb niets te verliezen, dacht ik toen. Maar zij alles.

De wedstrijd ging bijna van start. Mijn klasgenoten waren door het dolle heen. Ze moedigden mijn tegenstandster aan met verve.  Ongelukkig keek die naar de andere kant van de baan. De te overbruggen afstand leek haar zo te zien een onoverkomelijk kwaad. “Lelijke beertje Collecol met je stink gympak!”riep Keesje hard naar mij. Ik reageerde niet. De leraar stond erbij en keek ernaar. Van hem hoefde ik geen hulp te verwachten. Er werd in zijn klas nooit iemand gepest, had hij eens glashard tegen mijn moeder gezegd. Ik wierp een blik op de man en zag juist hoe hij de gouden Cruxifix om zijn hals met zijn brede vingers onder zijn kraag hing.

De man keek op zijn stopwatch en riep luid: start. Tegelijkertijd begonnen Astrid en ik te rennen. De beledigingen van mijn klasgenoten sloegen mij onverminderd om de oren. Ik kreeg een beetje medelijden met Astrid. Dit gescheld wenste ik haar toch niet toe, dus ik begon wat minder snel te lopen, waardoor zij mij iets inhaalde. Toen ze mij passeerde keek ik haar juist in het gezicht. De uitdrukking straalde echter geen dankbaarheid uit, maar minachting. Zag ik het goed?

Toen ineens was het genoeg.  Alle beledigingen, de klappen, het onrecht in mijn leven. Er kon nog van alles gebeuren, maar vandaag ging ik hier niet verliezen. Dus begon ik te rennen. Zo hard als ik kon. Ik rende en rende. Weg van alle pijn en verdriet.

Het werkte zuiverend voor mijn gewonde ziel. Nog meer zelfs dan het behalen van mijn overwinning op Astrid.  Vandaag had ik niet alleen haar, maar ook mezelf overwonnen. Zelfs mijn klasgenoten waren dit keer even stil.

 

Categorieën: Algemeen

NicoleS

Door veel te lezen word je een betere schrijver. Joost Zwagerman was ervan overtuigd. Ik houd van lezen maar ook van schrijven. Ik ben bij column x terecht gekomen dankzij mijn lieve vader die hier jaren columns geschreven heeft. Kees Schilder is zijn naam. Ik hoop evenveel plezier te beleven aan het schrijven als hij. Favoriete schrijvers: Gerard Reve, J.J Voskuil, Maarten 't Hart, Adriaan v Dis, Arnon Grunberg, WF Hermans, Simon Vestdijk, Louis Bordewijk en Jean Plaidy. Favoriete boek: Het bittere kruid, Marga Minco.

6 reacties

Mien · 19 mei 2016 op 15:49

Goud verdiend in alle opzichten. (y)

pally · 20 mei 2016 op 22:44

Goed beschreven situatie met een monoloog interieur die wisselt en uiteindelijk leidt naar een overwinning.

NicoleS · 22 mei 2016 op 14:41

Inderdaad ?

Geef een reactie

Avatar plaatshouder