Brussel. Het moet de eerste abstractum pro concreto zijn geweest dat mij bekend was. Brussel woont in de straat van mijn oma. Zijn naam ken ik niet en als hij te voet of op de fiets passeert dan zeg ik vriendelijk gedag. “Gedag, Brussel”, denk ik bij mezelf maar dat zeg ik niet, gelukkig. Vroeger niet en nu niet. Naast Brussel woonde Brugge. Die is er later gekomen. Net zoals de melkvoerder. Die grootouders van me, die wonen in de Klotzak*straete, zo heet de straat niet echt maar zo stond ze wel bekend in het gehucht waar ze ligt. De inwoners van de Klotzakstraete hadden misschien geen beste naam, over de terechtheid heb ik altijd mijn twijfels gehad. De generositeit van mijn grootmoeder, de vriendelijkheid van de mensen in de straat doen mij twijfelen. Het was misschien anders, ooit, vroeger…

Hier in de stad hebben we die namen niet meer. Mijn straat wordt bij mij zijn naam genoemd, waar mijn buren vandaan komen weet ik niet en ik zou ze waarschijnlijk niet naar de plaats van afkomst noemen. Ze zijn met teveel en komen overal vandaan.

Het is des mensen om dingen namen te geven. Sommigen zeggen dat het Goddelijk is. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. En God noemde het uitspansel hemel. En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was… In de sociologie en de sociale psychologie weten ze dat naamgeving nuttig is voor het samenleven. Dat het complexe samenlevingen mogelijk maakt.

Zo komt het dat er Vlamingen zijn en Walen, dat er westerlingen zijn en Chinezen. Zo komt het dat Turken ooit Marokkanen werden en dat Marokkanen Moslims werden. Omdat dat de discussie eenvoudiger maakt. Moslims, Moslima’s en Moslimjongeren als bijhorende nuanceringen. Namen zijn flessen om geesten en monsters in op te sluiten. Laat ons dan tenminste genoeg flessen overhouden.

* Klotzak is West-Vlaams voor gierigaard

Categorieën: Maatschappij

0 reacties

Geef een antwoord